Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-02-07
ECLI:NL:OGEAA:2025:144
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,633 tokens
Inleiding
Parketnummers: P-2024/01151, P-2022/11157 en P-2023/00902 (TUL)
Zaaknummers: 526 van 2024, 1 van 2025 en 2 van 2025
Uitspraak: 7 februari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de gevoegde strafzaken tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.F. Falconi, advocaat in Aruba.
De benadeelde partij [weduwe van slachtoffer] (in de zaak met parketnummer P-2024/01151) heeft, bij monde van haar gemachtigde (mr. D.M. Emerencia) zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. Z.J.E. Paesch, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 primair, 2 en 3 in de zaak met parketnummer P-2024/01151 (nader aangeduid met zaak A) en het in de zaak met parketnummer P-2022/11157 (hierna: zaak B) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een bijkomende straf gevorderd, inhoudende dat de verdachte voor de duur van vijf (5) jaren zal worden ontzegd van de rijbevoegdheid.
Haar vordering behelst voorts:
de verbeurdverklaring van de in beslag genomen auto;
de toewijzing van de vordering ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van Afl. 25.757,50 en de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen zij overigens (ten aanzien van de materiële én immateriële schade) heeft gevorderd en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde proceskosten;
de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer P-2023/00902.
De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
zaak A
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 24 mei 2024 in Aruba,
als weggebruiker, te weten als bestuurder van een motorvoertuig,
te weten een (personen)auto van het merk BYD, model F0, met kenteken [autokenteken],
daarmee rijdende op een voor het verkeer openstaande weg,
de naamloze verharde weg ter hoogte van [plaats 1], althans over een weg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zonder in bezit te zijn van een geldig rijbewijs een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 16 van de Landsverordening wegverkeer heeft gehandeld door als bestuurder van voornoemd motorvoertuig, dat ouder dan drie jaar is, zonder een keuringsbewijs, daarmede over een weg te hebben gereden en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 2 van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gehandeld door met een niet verzekerd motorvoertuig te hebben gereden en/of,
- terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde op voornoemde weg een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 18 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet althans onvoldoende met zijn motorvoertuig rechts aan te houden en/of naar links heeft gestuurd en/of is gegaan en/of,
- met zijn motorvoertuig (geheel of ten dele) op de verkeerde rijbaan, te weten op de linkerrijstrook, dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, heeft gereden en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 29 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) heeft geregeld dat hij in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was,
- niet, althans niet voldoende, en niet tijdig heeft uitgeweken om een botsing te voorkomen met een motorvoertuig welke geheel en/of grotendeels op zijn eigen rijbaan reed,
waardoor of mede waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig en een ander (tegemoetkomend) motorvoertuig, te weten een motorfiets van het merk Harley Davidson, model Sportster, gekentekend [motorkenteken], waardoor de bestuurder van het laatstgenoemde, te weten [slachtoffer], werd gedood,
zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, zich in de toestand verkeerde bedoeld in artikel 5 van de Landsverordening Wegverkeer, geen voorrang heeft verleend aan het tegemoetkomend verkeer of gevaarlijk heeft ingehaald;
(artikel 4 lid 1 jo.
Feiten
Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht het volgende af. Op 24 mei 2024 heeft er op de weg leidende door [plaats 2] ter hoogte van het perceel [plaats 2] [perceelnummer] een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte, bestuurder van zijn personenauto BYD F0, reed op de bewuste dag van 24 mei 2024 in de zuidelijke richting over de weg leidende door [plaats 2]. De agenten van Unit Verkeersplanologie en Onderzoek hebben gerelateerd dat de bestuurder van de personenauto voornoemd (dus de verdachte) op de voor hem linker rijbaan reed en daar met kracht botste tegen het tegemoetkomende voertuig, de motorfiets bestuurd door het slachtoffer [slachtoffer]. Door de klap werd de bestuurder van de motorfiets naar voren tegen de personenauto gegooid, ging de lucht in en belandde tegen een erfmuur. Ten gevolge van deze aanrijding is het slachtoffer ter plaatse overleden. Een ruim vijf uur na het ongeval bij de verdachte verrichte ademanalyse heeft uitgewezen dat de verdachte een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd dat het alcoholgehalte van zijn bloed op dat moment nog 413 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg. Dit is bijna 2 keer zoveel als wettelijk maximaal is toegestaan.
Beoordeling
Het Gerecht is van oordeel dat de verdachte welbewust een onaanvaardbare risico heeft genomen door in beschonken toestand te besluiten zijn auto te besturen en in die toestand zonder enige aanleiding op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer is gaan rijden. Dat dit een uiterst gevaarlijke manoeuvre was volgt ook uit verdachtes verklaring ter terechtzitting dat hij de motorfiets van te voren had zien aankomen. Verdachtes verklaring ter terechtzitting dat de motorfiets met hoge snelheid naderde doet aan die conclusie niet af, nu – zou dat het geval zijn geweest – dat voor hem eens te meer aanleiding had moeten zijn om op zijn eigen weghelft te blijven. Gelet verder op het ruim vijf uur na het ongeval geconstateerde alcoholgehalte in de door de verdachte uitgeademde lucht, kan de conclusie worden getrokken dat dat gehalte ten tijde van het ongeval nog aanzienlijk hoger was. Het lijdt naar het oordeel van het Gerecht dan ook geen twijfel dat deze omstandigheid heeft bijgedragen aan het onvoorzichtige rijgedrag van de verdachte. Dit is hem te meer aan te rekenen, nu hij kort daarvoor stafrechtelijk was veroordeeld voor rijden onder invloed en in dat kader een cursus alcohol en verkeer heeft gevolgd. Dit heeft hem niet weerhouden om wederom onder invloed van alcohol aan het verkeer deel te nemen. Dit in combinatie met het vertoonde rijgedrag maakt dat niet slechts kan worden gesproken van een inschattingsfout maar van zeer onvoorzichtig rijgedrag, waardoor een ongeval is veroorzaakt met dodelijke afloop.
Het Gerecht overweegt in dit verband nog dat geen geloof kan worden gehecht aan verdachtes verklaring, inhoudende dat hij op de rijbaan voor het tegenoverliggende verkeer heeft gereden, omdat hij een zich op zijn rijbaan stilstaande truck diende te passeren. Gelet op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] gaat het Gerecht ervan uit dat zich op de bewuste dag ten tijde van de aanrijding geen stilstaand voertuig op de weg bevond. Doch zelfs als dit wel het geval was geweest, dan had dit aan de mate waarin het ongeval aan de verdachte te verwijten valt, geen afbreuk gedaan. De verdachte had zich immers alvorens de truck te passeren, moeten vergewissen dat hij dit op een veilige manier kon doen. Nu de verdachte heeft verklaard dat hij de motorfiets wel had zien naderen is evident dat hij ook in dit scenario zich zeer onvoorzichtig zou hebben gedragen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
zaak A
Feit 1, primair: overtreding van artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening wegverkeer, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van deze landsverordening, en het feit mede is veroorzaakt doordat hij geen voorrang heeft verleend,
strafbaar gesteld bij artikel 4, eerste lid, juncto artikel 40, eerste en derde lid, van die landverordening.
Feit 2: Handelen in strijd met artikel 5, tweede lid, van de Landverordening wegverkeer,
strafbaar gesteld bij artikel 40, vierde lid, van die landsverordening.
Feit 3: Handelen in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Landverordening wegverkeer,
strafbaar gesteld bij artikel 40, vierde lid, van die landsverordening.
Feiten
zaak B
Handelen in strijd met artikel 5, eerste lid, a van de Landverordening wegverkeer,
strafbaar gesteld bij artikel 40, vierde lid, van die landsverordening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het Gerecht heeft voorts aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof van Justitie en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig rijgedrag door een personenauto te besturen, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, waarna hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt het besturen van een auto zonder een geldig rijbewijs bij zich te hebben.
Verder is gebleken dat de verdachte zich reeds eerder heeft schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Ook bij die gelegenheid is hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terecht gekomen en tegen een auto gebotst.
Het Gerecht rekent het de verdachte zwaar aan dat hij na het drinken van teveel alcohol in zijn auto is gaan rijden en daarmee een onaanvaardbaar risico heeft genomen, dat zich ook heeft verwezenlijkt. De verdachte heeft door zijn handelen een onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De nabestaanden van het slachtoffer zullen voor altijd genoegen moeten nemen met slechts de dierbare herinnering aan hem.
Aan de verdachte is in 2023 onder meer een leerstraf opgelegd inhoudende het volgen en afronden van een alcohol- en verkeer cursus genaamd “Manehando Bou Influencia”. De verdachte was een gewaarschuwd mens en heeft van die leerstraf klaarblijkelijk onvoldoende geleerd, nu hij opnieuw in de fout is gegaan en dit keer met zeer ernstige gevolgen. Tijdens het door hem veroorzaakte dodelijke ongeval had hij zelfs een cup met wijn in zijn auto, kennelijk om daar al rijdend van te drinken. Dit alles rekent het Gerecht de verdachte zwaar aan.
Ten nadele van de verdachte neemt het Gerecht voorts in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De verdachte heeft herhaaldelijk te kennen gegeven de oorzaak van het ongeval vooral buiten zijn eigen handelen te zoeken, namelijk de aanwezigheid van een truck voor hem op de weg. Het ontbreekt de verdachte, ondanks de door hem ter terechtzitting aan de nabestaanden aangeboden excuses, kennelijk aan voldoende inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van na te melden duur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen gedurende na te melden periode passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen
zaak A
Aan de orde is voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp.
Verbeurdverklaring
De auto is vatbaar voor verbeurdverklaring. Het voorwerp behoort immers toe aan de verdachte en betreft een voorwerp met betrekking tot welke het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan.
Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.
Schadevergoeding
zaak A
De benadeelde partij [weduwe van slachtoffer], weduwe van het omgekomen slachtoffer, heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding, zoals vervat in de overgelegde schriftelijke vordering. Deze bedraagt bestaat uit de volgende schadeposten:
materiële schade (totaal ad Afl. 45.782,53);
immateriële schade (ad Afl. 10.000,-).
De materiële schade, waarvoor een vergoeding is gevorderd, bestaat uit I) schade aan motor van het slachtoffer en de gemaakte kosten in verband met begrafenis, condoleance, extra benzinekosten en rouwkleding (ad Afl. 27.107,65), en II) kosten voor het onderhoud van 4 honden van het slachtoffer (ad. 18.674,88).
De immateriële schade, waarvoor een vergoeding is gevorderd, bestaat uit de derving van de levensvreugde van benadeelde partij, depressieve gedachten en posttraumatische stress stoornis.
Verder heeft de benadeelde partij bij monde van haar gemachtigde -mondeling ter zitting- verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ook heeft de benadeelde partij verzocht om de verdachte te veroordeling in de proceskosten tot een bedrag van Afl. 800,-.
Materiële schade
De verdediging heeft de vordering, voor zover betreffende de materiële schade, hiervoor genoemd onder I, niet betwist. De vordering zal tot dit bedrag, te weten Afl. 27.107,65, worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2024.
Wat betreft het gevorderde bedrag ten aanzien van de onderhoudskosten van de 4 honden, overweegt het Gerecht dat de behandeling van de vordering met betrekking tot deze materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in dit deel van haar vordering zal worden ontvangen. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre deze onderhoudskosten als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval voor de benadeelde partij zijn toegenomen dient namelijk duidelijk te worden in welke mate het slachtoffer vóór diens overlijden aan het onderhoud van de honden heeft bijgedragen. Nu de benadeelde partij omtrent de inkomsten van het slachtoffer geen gegevens heeft overgelegd, kan deze vraag thans niet worden beantwoord. Dit deel van de vordering zal zij slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het Gerecht betreft deze vordering, gelet op de omschrijving daarvan, voor een deel in wezen zogeheten ‘affectieschade’. Voor toewijzing van de vordering bestaat bij de huidige stand van de wetgeving evenwel geen wettelijke grondslag. Voor zover de benadeelde partij een vergoeding voor geleden ‘shockschade’ heeft bedoeld te vorderen, overweegt het Gerecht als volgt. Een medisch objectiveerbare onderbouwing voor de geleden schade, van bijvoorbeeld haar behandelaar(s), ontbreekt.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
-
de hoofdstraf
:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tweeënveertig (42) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
-
de bijkomende straf
:
ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van vijf (5) jaren;
-
de beslagbeslissing
:
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven auto;
-
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
:
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [weduwe van slachtoffer] geleden materiële schade toe tot een bedrag van Afl. 27.107,65, (zegge: zevenentwintig duizend honderdzeven florin en vijfenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [weduwe van slachtoffer] gemaakt, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op Afl. 800,-;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [weduwe van slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Afl. Afl. 27.107,65 (zegge: zevenentwintig duizend honderdzeven florin en vijfenzestig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door honderzeventig (170) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
-
ten aanzien van de tenuitvoerlegging
:
gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer P-2023/00902 bij vonnis van het Gerecht d.d. 16 maart 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten twee (2) weken voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. W.C.E. Winfield, bijgestaan door mr. A.B. Bennett, (zittingsgriffier), en op 7 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.
uitspraakgriffier:
Inleiding
40 lid 1 en 3 van de Landsverordening Wegverkeer)
althans, indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen
subsidiair
hij op of omstreeks 24 mei 2024 in Aruba, als weggebruiker,
te weten als bestuurder van een motorvoertuig,
te weten een (personen)auto van het merk BYD, model F0, met kenteken [autokenteken],
daarmee rijdende op een voor het verkeer openstaande weg,
de naamloze verharde weg ter hoogte van [plaats 1], althans over een weg,
zich zodanig heeft gedragen, dat daardoor de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak werd belemmerd en/of de veiligheid op die weg in gevaar werd gebracht en/of
redelijkerwijs was aan te nemen dat de veiligheid op de weg in gevaar kon worden gebracht, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zonder in bezit te zijn van een geldig rijbewijs een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 16 van de Landsverordening wegverkeer heeft gehandeld door als bestuurder van voornoemd motorvoertuig, dat ouder dan drie jaar is, zonder een keuringsbewijs, daarmede over een weg te hebben gereden en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 2 van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gehandeld door met een niet verzekerd motorvoertuig te hebben gereden en/of,
- terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde op voornoemde weg een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 18 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet althans onvoldoende met zijn motorvoertuig rechts aan te houden en/of naar links heeft gestuurd en/of is gegaan en/of,
- met zijn motorvoertuig (geheel of ten dele) op de verkeerde rijbaan, te weten op de linkerrijstrook, dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, heeft gereden en/of geen voorrang heeft verleend aan het tegemoetkomend verkeer of gevaarlijk heeft ingehaald en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 29 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) heeft geregeld dat hij in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was;
- niet, althans niet voldoende, en niet tijdig heeft uitgeweken om een botsing te voorkomen met een motorvoertuig welke geheel en/of grotendeels op zijn eigen rijbaan reed,
waardoor hij, verdachte, gebotst is tegen althans in aanrijding is gekomen met een zijn tegemoetkomende motorvoertuig, te weten een motorfiets van het merk Harley Davidson, model Sportster, gekentekend [motorkenteken];
(artikel 2 jo. 40 lid 5 van de Landsverordening wegverkeer)
Feit 2
hij op of omstreeks 24 mei 2024 in Aruba,
als bestuurder van een voertuig,
te weten een (personen)auto van het merk BYD, model F0 en met kenteken [autokenteken],
dit voertuig heeft bestuurd,
na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,
dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek 413 microgram,
in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
(artikel 5 lid 2 sub a van de Landsverordening wegverkeer)
Feit 3
hij als ingezetene van Aruba, op of omstreeks 24 mei 2024 in Aruba,
als bestuurder van een motorvoertuig,
te weten een (personen)auto van het merk BYD, model F0 en met kenteken [autokenteken],
daarmee op een voor het verkeer openstaande weg,
te weten de naamloze verharde weg ter hoogte van [plaats 1] heeft gereden,
zonder dat verdachte toen bij zich heeft gehad een ten name van verdachte gesteld door de Minister van Justitie afgegeven geldig rijbewijs voor het besturen van een motorvoertuig van de aard als waarmee toen daar gereden werd;
(artikel 10 lid 1 van de Landsverordening wegverkeer)
zaak B
dat hij op of omstreeks 14 december 2022 in Aruba,
als bestuurder van een voertuig, (BYD F0, kenteken [autokenteken]),
dit voertuig heeft bestuurd op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, (naamloze weg leidend van [plaats 2] naar [plaats 3]),
terwijl verdachte verkeerde onder zodanige invloed van alcohol,
waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest weten,
dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen,
dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 in zaak A en in zaak B is ten laste gelegd, met dien verstande (dat):
zaak A
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 24 mei 2024 in Aruba, als weggebruiker, te weten als bestuurder van een motorvoertuig, te weten een (personen)auto van het merk BYD, model F0, met kenteken [autokenteken], daarmee rijdende op een voor het verkeer openstaande weg, de naamloze verharde weg ter hoogte van [plaats 1], althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zonder in bezit te zijn van een geldig rijbewijs een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 16 van de Landsverordening wegverkeer heeft gehandeld door als bestuurder van voornoemd motorvoertuig, dat ouder dan drie jaar is, zonder een keuringsbewijs, daarmede over een weg te hebben gereden en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 2 van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gehandeld door met een niet verzekerd motorvoertuig te hebben gereden en/of,
- terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde op voornoemde weg een motorvoertuig heeft bestuurd en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 18 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet althans onvoldoende met zijn motorvoertuig rechts aan te houden en/of naar links heeft gestuurd en/of is gegaan en/of,
- met zijn motorvoertuig (geheel of ten dele) op de verkeerde rijbaan, te weten op de linkerrijstrook, die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, heeft gereden en/of,
- in strijd met het gestelde in artikel 29 van het Landsbesluit verkeersregels heeft gehandeld door niet de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) heeft geregeld dat hij in staat was het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en deze vrij was,
- niet, althans niet voldoende, en niet tijdig heeft uitgeweken om een botsing te voorkomen met een motorvoertuig welke geheel en/of grotendeels op zijn eigen rijbaan reed,
waardoor of mede waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig en een ander (tegemoetkomend) motorvoertuig, te weten een motorfiets van het merk Harley Davidson, model Sportster, gekentekend [motorkenteken], waardoor de bestuurder van h