Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-04-10
ECLI:NL:OGEAA:2024:94
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,277 tokens
Inleiding
Uitspraak van 10 april 2024
Lar nr. AUA202303229
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 53 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoekster],
domicilie kiezend in Aruba,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: mr. J.J.C. Odor,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. J.J. Poeran (DWJZ) en mr. L.J. Pieters.
Procesverloop
Bij uitspraak van dit gerecht van 22 februari 2023 (LAR AUA202302551) is onder meer de bestreden fictieve (afwijzende) beslissing op het bezwaar van verzoekster gericht tegen de afwijzing van haar verzoek om opheffing van de haar opgelegde periode van niet toelating, vernietigd en is bepaald dat de minister van Justitie en Sociale Zaken, verweerder in dat geding, binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op dat bezwaar.
Op 5 juli 2023 heeft de minister van Justitie en Sociale Zaken het bezwaar van verzoekster van 31 maart 2022 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van dit gerecht van 13 september 2023 (LAR AUA202301871) is het verzoek ex artikel 53 Lar van verzoekster, strekkende tot het verplichten van de minister van Justitie en Sociale Zaken om alsnog gevolg te geven aan voornoemde uitspraak, afgewezen, omdat die minister reeds een beslissing op bezwaar heeft genomen.
Op 15 september 2023 heeft verzoekster onderhavig verzoek op grond van artikel 53 van de Lar ingediend.
Op 2 november 2023 en 3 november 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 januari 2024, alwaar verzoekster bij haar gemachtigde voornoemd is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
1.1
Onderhavig verzoek van verzoekster is gegrond op artikel 53 van de Lar en strekt ertoe verweerder door middel van het opleggen van een dwangsom te verplichten gevolg te geven aan de uitspraak van 22 februari 2023. Ter onderbouwing van zijn verzoek, heeft verzoekster -samengevat- aangevoerd, dat de beslissing op het verzoek om opheffing van de periode van niet-toelating is genomen door de onbevoegde minister van Justitie en Sociale Zaken en dat zij er belang bij heeft dat de bevoegde minister, in dit geval verweerder, gevolg geeft aan die uitspraak.
1.2
Verweerder heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat hij niet kan worden verplicht te voldoen aan een rechterlijke uitspraak in een geding waarbij hij geen partij was. Verweerder heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekster, dan wel tot afwijzing van onderhavig verzoek, met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit geding.
2. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Lar kan, indien het bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet aan artikel 51, de wederpartij bij het gerecht een verzoek indienen tot toekenning van een vergoeding ten laste van het Land dan wel een verzoek om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan bij de beslissing op dit verzoek worden bepaald dat het bestuursorgaan aan de wederpartij een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft aan de beslissing te voldoen.
3. In dit geval staat vast, dat de uitspraak van dit gerecht van 22 februari 2023 (LAR AUA202302551), is gegeven in het geding tussen verzoekster en de minister van Justitie en Sociale Zaken. Ingevolge artikel 53 van de Lar, kan slechts het bij een geding betrokken bestuursorgaan worden verplicht om al dan niet onder verbeurte van een dwangsom, alsnog gevolg te geven aan de rechterlijke uitspraak. Nu verweerder niet bij het geding dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 februari 2023 was betrokken, kan hij niet worden verplicht alsnog gevolg te geven aan die uitspraak.
4. Nu het betrokken bestuursorgaan reeds heeft beslist en daarmee heeft voldaan aan voormelde rechterlijke uitspraak, bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 53 van de Lar.
5. Verzoeker is dan ook niet-ontvankelijk in onderhavig verzoek.
6. Voor een proceskostenveroordeling in deze bestaat geen grond.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.