Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-03-20
ECLI:NL:OGEAA:2024:73
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,923 tokens
Inleiding
Uitspraak van 20 maart 2024
Lar nr. AUA202302362
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
wonend te Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.K. Mohamed,
gericht tegen:
de Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ontwikkeling,
zetelend in Aruba,
verweerder,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
Procesverloop
Appellant heeft op 6 december 2022 verweerder verzocht om een commerciële bestemmingswijziging voor het adres [adres].
Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek heeft appellant op 15 maart 2023 bezwaar gemaakt.
Tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar heeft appellant op 28 juni 2023 beroep ingesteld bij dit gerecht.
Verweerder heeft op 1 september 2023 een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter zitting behandeld op 6 december 2023, alwaar zijn verschenen appellant bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
Overwegingen
1.1
Appellant heeft gesteld dat de fictieve afwijzende beslissing in strijd is met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel, en heeft verzocht deze te vernietigen en te bepalen dat verweerder alsnog een beslissing op het bezwaarschrift neemt.
1.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant heeft verzocht om wijziging van een erfpachtrecht, zijnde een privaatrechtelijke overeenkomst, die volgens artikel 2, lid 2 en onder sub a van de Lar is uitgezonderd van het begrip beschikking. Verweerder heeft geconcludeerd tot gegrondheid van het beroep en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.
2.1
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan. Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel zijn van het begrip beschikking onder meer uitgezonderd: rechtshandelingen naar burgerlijk recht.
2.2
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.
2.3
Ingevolge artikel 23, eerste lid kan degene die rechtsreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing, daartegen beroep instellen bij het gerecht. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het uitblijven van een beslissing op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn, wordt gelijkgesteld met een afwijzende beslissing.
Beoordeling
3.1
Het gerecht stelt voorop dat het uitblijven van een beslissing op bezwaar binnen de daarvoor gestelde termijn, ook indien het bezwaar betrekking heeft op een rechtshandeling naar burgerlijk recht en het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk is, naar haar aard is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg (zie ook de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 28 mei 2012, HLAR 49097/11, LJN: BX6128). Ook het uitblijven van een beslissing op een dergelijk bezwaar binnen de voor het nemen daarvan gestelde termijn is derhalve op grond van artikel 23, tweede lid, van de Lar vatbaar voor beroep.
3.2
Nu vaststaat dat verweerder niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft beslist op het door appellant ingediend bezwaarschrift, en appellant binnen de in artikel 27 , tweede lid, van de Lar gestelde termijn beroep hebben ingesteld, kan hij in zijn beroep tegen de (fictieve) afwijzende beslissing op zijn bezwaar worden ontvangen.
4.1
Het verzoek van appellant van 6 december 2022 strekt tot wijziging van een tussen partijen gesloten civielrechtelijke erfpachtovereenkomst, en is niet gegeven ter uitvoering van enige publiekrechtelijke bevoegdheid. Aldus betreft het een rechtshandeling naar burgerlijk recht, die ingevolge artikel 2, tweede lid onderdeel a van de Lar, niet als beschikking kan worden aangemerkt. Hieruit vloeit voort dat het uitblijven van een beslissing op het verzoek van appellante evenmin kan worden aangemerkt als een beschikking: artikel 9, tweede lid, van de Lar bepaalt immers dat slechts het uitblijven van een beschikking wordt gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.
4.2
In dit geval is dus geen sprake van een fictieve weigering waartegen appellant bezwaar kon maken. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het bezwaar ban appellant niet niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre is het beroep gegrond.
4.3
Nu verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, ziet het gerecht aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
5. Nu appellant met recht in beroep is gekomen en zich bij gemachtigde heeft laten vertegenwoordigen, is aannemelijk geworden dat appellant hiertoe noodzakelijke kosten heeft gemaakt. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding, begroot op een bedrag van Afl. 350,- aan gemachtigdensalaris.
6. Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden fictieve afwijzende beslissing op het bezwaar van appellant van 15 maart 2023;
- verklaart het door appellant ingediende bezwaarschrift van 15 maart 2023 niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 350,-;
- gelast dat het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hem wordt terugbetaald.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 20 maart 2024, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hoger beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hoger beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hoger beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.