Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-12-30
ECLI:NL:OGEAA:2024:311
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,025 tokens
Inleiding
Uitspraak van 30 december 2024
Gaza nr. AUA202401149
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar als bedoeld in de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
:
[Klaagster],
wonend in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. D.G. Croes,
tegen:
DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN SPORT,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ)
INLEIDING
Bij ministeriële beschikking van 6 maart 2024 (de bestreden beschikking), door klaagster ontvangen op 15 maart 2024, heeft verweerder onder meer besloten om klaagster in haar ambt te schorsen en om haar bezoldiging - voor een derde deel respectievelijk volledig – in te houden.
Hiertegen heeft klaagster op 11 april 2024 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Verweerder heeft op 11 november 2024 de gedingstukken en een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld op de zitting van 18 november 2024. Klaagster en mr. [betrokkene], die de zaak voor de hiervoor genoemde gemachtigde waarneemt, zijn daarbij niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
Wat zijn de relevante feiten in deze zaak?
1.1.
Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij de Dienst Publieke Scholen (DPS) in de functie van docent Spaans bij [plaats].
1.2.
Op 20 december 2023 is zij aangehouden en in verzekering gesteld als verdachte van overtreding van artikelen 3 en 4 van de Landverordening verdovende middelen (hard en soft drugs) en artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld).
1.3.
Op 5 maart 2024 is klaagster in vrijheid gesteld.
2. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder – voor zover relevant en samengevat - aan klaagster meegedeeld dat zij op grond van artikel 88, eerste lid 1, sub a, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) van rechtswege is geschorst in haar ambt voor de duur van de voorlopige hechtenis. Na afloop van de voorlopige hechtenis blijft zij geschorst voor de duur van de strafrechtelijke vervolging, totdat er een einduitspraak is in de strafzaak en totdat het bevoegd gezag een besluit genomen heeft over de disciplinaire strafoplegging. Mocht de strafvervolging worden stopgezet, dan zal klaagster in het belang van de dienst geschorst blijven. Deze schorsing zal duren tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit genomen heeft over de disciplinaire strafoplegging.
2.1.
Tijdens de eerste zes weken van de schorsing wordt de bezoldiging van klaagster tot 10 februari 2024 (tijdens de voorlopige hechtenis) voor een derde deel ingehouden. Vanaf 10 februari 2024 tot het einde van de voorlopige hechtenis, wordt de bezoldiging volledig ingehouden. Voor het resterende gedeelte van de schorsing zal verweerder de bezoldiging weer voor een derde deel inhouden.
3. Klaagster heeft het gerecht verzocht om een voorziening bij voorraad te treffen, zoals bedoeld in artikel 94 van de La. Het gerecht heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 (AUA202401508) de bestreden beschikking geschorst voor zover daarin is bepaald dat de bezoldiging van klaagster vanaf 10 februari 2024 tot het einde van de voorlopige hechtenis volledig wordt ingehouden.
4. Op 19 juli 2024 is klaagster vrijgesproken door de strafrechter. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
5. In de beschikking van 14 november 2024 heeft verweerder de schorsing van klaagster, die volgde op de schorsing vanwege de strafrechtelijke vervolging, opgeheven. Verweerder ziet geen aanleiding meer om een disciplinair onderzoek uit te voeren. Het door verweerder vanaf 10 februari 2024 ingehouden gedeelte van de bezoldiging zal alsnog aan klaagster worden uitbetaald, dit laatste conform artikel 89, derde lid, van de Lma.
Heeft klaagster nog procesbelang bij haar bezwaar?
6. Volgens vaste rechtspraak is voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een bezwaar of beroep bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het instellen van bezwaar of beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang (Vlg. de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 1 april 2021, ECLI:NL:ORBAACM:2021:2).
6.1.
Zoals hiervoor bij de relevante feiten staat vermeld is de schorsing die verweerder heeft opgelegd na afloop van de strafrechtelijke vervolging met het nieuwe besluit van 14 november 2024 van tafel. De inhouding op de bezoldiging van klaagster is bij dat besluit met ingang van 10 februari 2024 teruggedraaid.
6.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster daarom geen procesbelang meer heeft. Hierop heeft de waarnemend gemachtigde van klaagster per e-mail van 15 november 2024 bericht dat klaagster nog steeds procesbelang heeft en dat hij daarop op de zitting een toelichting zal geven. Klaagster en haar waarnemend gemachtigde zijn echter niet op de zitting verschenen en een toelichting op het procesbelang van klaagster is uitgebleven.
7. Het gerecht ziet geen resterend procesbelang bij een uitspraak op het bezwaar van klaagster tegen de bestreden beschikking.
7.1.
Voor zover klaagster het niet eens is met verweerders beslissing om haar vooralsnog niet terug te plaatsen in haar functie als docente Spaans, welke beslissing ook onderdeel uitmaakt van de beschikking van 14 november 2024, overweegt het gerecht dat deze beslissing een zelfstandig karakter heeft die geen betrekking heeft op de maatregelen zoals die bij de bestreden beschikking van 6 maart 2024 zijn opgelegd. Als klaagster zich met de beslissing haar vooralsnog niet terug te plaatsen niet kan verenigen, kan zij hiertegen afzonderlijk bezwaar maken.
8. De conclusie is dat het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 december 2024, in tegenwoordigheid van mr. M.E.C. Bakker, de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.