Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-05-25
ECLI:NL:OGEAA:2024:305
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,132 tokens
Inleiding
Beschikking van 25 juni 2024
Behorend bij E.J. no. AUA202401313
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Appellant],
te Aruba,
appellant, hierna ook te noemen: [appellant],
procederend in persoon,
tegen:
[Geïntimeerde],
te Aruba,
geïntimeerde, hierna ook te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigden: de advocaten mrs. D.C. Lopez Paz en L.A.J. Banis.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingediend op 24 april 2024;
- het verweerschrift met producties, ingediend op 11 juni 2024;
- de mondelinge behandeling van de zaak op dinsdag 25 juni 2024, waarbij aanwezig
waren: [Appellant] in persoon en mr. Banis namens [geïntimeerde].
1.2
Uitspraak is terstond gedaan.
2DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1 [
Appellant] en [geïntimeerde] hebben een huurovereenkomst gesloten, op grond waarvan [appellant] vanaf 1 mei 2022 van [geïntimeerde] het pand huurt te [adres] in Aruba (hierna: het pand) voor een maandelijkse huurprijs van Afl. 3.000,-. De huur is aangegaan voor een periode van vier jaar, dus tot en met 30 april 2026.
2.2 [
Appellant] huurde het pand ten behoeve van de Fundacion Iglesia Pentecostal Ciloe.
2.3
Artikel 8 van de huurovereenkomst bepaalt dat het pand uitsluitend gebruikt mag worden als kerkgebouw voor de Iglesia Pentecostal Ciloe en dat het verboden is het pand geheel of gedeeltelijk onder te verhuren aan derden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [geïntimeerde].
2.4 [
Appellant] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
2.5
De Huurcommissie heeft in zijn beschikking van 31 augustus 2023, met kenmerk HOP/110/23 (hierna: de beschikking “opzegging huur”), overwogen dat [appellant] voor een substantieel bedrag van van Afl. 28.500,- achterstallig is met de betaling van de huur. De Huurcommissie heeft daarop beslist dat [appellant] de huurachterstand uiterlijk op 31 oktober 2023 moet hebben ingelopen en voortaan tijdig en regelmatig de huur moet betalen. Als [appellant] dat niet doet, mag [geïntimeerde] de huur opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.
2.6 [
Geïntimeerde] heeft bij brief van 1 november 2023 de huurovereenkomst conform de door de Huurcommissie gestelde voorwaarden opgezegd en [appellant] verzocht om het pand uiterlijk op 31 december 2023 te ontruimen.
2.7 [
Appellant] heeft niet aan dat verzoek voldaan.
2.8
De Huurcommissie heeft bij herstelbeschikking van 14 maart 2024, met kenmerk HOP/2023/110-B (hierna: de beschikking “ontruiming”) [appellant], onder de voorwaarde dat de huurovereenkomst is geëindigd overeenkomstig de opzegtermijn en voorwaarden die zijn genoemd in de beschikking van 31 augustus 2023, bevolen om het pand te ontruimen, doch niet eerder dan zes weken na de betekening van die uitspraak. De betekening heeft op 15 maart 2024 plaatsgevonden.
2.9
Op 24 april 2024 heeft [appellant] beroep aangetekend tegen de beschikking “ontruiming” van de Huurcommissie.
2.10
De huurachterstand was tijdens het indienen van het verweerschrift opgelopen naar
Afl. 54.500,-
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1 [
Appellant] verzoekt het Gerecht (zo het begrijpt) om de beschikking “ontruiming” van de Huurcommissie deels te vernietigen en om de ontruimingstermijn te bepalen op zes maanden.
3.2 [
Appellant] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd (zo begrijpt althans het Gerecht) dat een ontruiming van het pand op korte termijn tot een noodtoestand zal leiden. Het pand wordt namelijk bewoond door negen personen die met verslavingsproblemen en/of psychische aandoeningen kampen. Als die bewoners het pand moeten verlaten, komen zij op straat te staan. Dit kan grote gevolgen hebben voor hun welzijn en voor de samenleving in zijn geheel. [Appellant] is van plan om binnenkort te beginnen met het inzamelen van geld om zijn huurachterstand te betalen. Met een langere ontruimingstermijn kan [appellant] ook alternatieve huisvesting voor de bewoners vinden.
3.3 [
Geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure (vermeerderd met wettelijke rente en nakosten).
Beoordeling
4.1 [
Appellant] is tijdig in beroep gekomen tegen de beschikking “ontruiming”. Het Gerecht zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.
4.2
De vraag die moet worden beantwoord is of aan [appellant] een langere ontruimingstermijn moet worden gegund. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en wel om de volgende redenen.
4.3
Vast staat dat sprake is van een fikse huurachterstand. Vanwege die achterstand heeft de Huurcommissie al in augustus 2023 beslist dat [geïntimeerde] de huur mocht opzeggen, als [appellant] niet uiterlijk op 31 oktober 2023 de huurachterstand zou hebben ingelopen. Omdat [appellant] niet aan die voorwaarde voldeed, heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst bij brief van 1 november 2023 opgezegd en aan [appellant] gevraagd om het pand te ontruimen. [Appellant] weet dus al geruime tijd dat hij het pand moet verlaten en dat hij op zoek moet gaan naar een alternatieve ruimte. Dat heeft hij niet gedaan. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening en zijn geen aanleiding om te bepalen dat [appellant] nog meer tijd krijgt om een ander pand te vinden. Dit geldt temeer, nu gebleken is dat [appellant] de huurachterstand nog verder heeft laten oplopen. De stelling van [appellant] dat de ontruiming van het pand zal leiden tot een noodtoestand omdat de (hulpbehoevende) bewoners dan op straat komen te staan, leidt niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het feit dat [appellant] die stelling niet heeft onderbouwd, staat vast dat het [appellant] op grond van de huurovereenkomst niet was toegestaan anderen in het pand te huisvesten. [Geïntimeerde] heeft daarvoor immers geen toestemming gegeven.
4.4
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het Gerecht geen aanleiding ziet om de beschikking “ontruiming” van de huurcommissie te vernietigen. Het beroep van [appellant] zal daarom ongegrond worden verklaard.
4.5
De ontruimingstermijn, die voortvloeit uit de beschikking “ontruiming” (die is gaan lopen op 16 maart 2023 door betekening van de beschikking aan [appellant]), is geschorst door het beroep van [appellant]. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, begint de termijn op de datum van deze uitspraak (25 juni 2024) weer te lopen. Dit betekent dat [appellant] in principe op 28 juni 2024 het pand moet ontruimen. Aan [appellant] zal echter een termijn worden gegund tot 1 augustus 2024. [Appellant] zal het pand dus uiterlijk op 1 augustus 2023 moeten ontruimen en verlaten.
4.6 [
Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [geïntimeerde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.
Dictum
Het Gerecht:
5.1
verklaart het beroep van [appellant] ongegrond;
5.2
bevestigt de beschikking van de huurcommissie van 14 maart 2024;
5.3
verstaat dat [appellant] het pand uiterlijk op 1 augustus 2024 dient te ontruimen en te verlaten met alle personen en goederen die zich aldaar bevinden, en het pand met overlegging van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van [geïntimeerde];
5.4
veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [geïntimeerde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt, rechter, en is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 juni 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.