Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-02-28
ECLI:NL:OGEAA:2024:26
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,120 tokens
Inleiding
Vonnis van 28 februari 2024
Behorend bij A.R. AUA201901832 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in het incident tot verwijzing naar mediation
in de zaak van:
WATER- EN ENERGIEBEDRIJF ARUBA N.V.,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: WEB,
gemachtigden: de advocaten mrs. I.R. Wever en A.A. Ruiz,
tegen:
METACORP N.V.,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: Metacorp,
gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 mei 2019 met producties 1 tot en met 28;
- de incidentele conclusie tot vrijwaring van Metacorp van 18 september 2019;
- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van WEB van 16 oktober 2019;
- de schriftelijke pleitnotities van Metacorp in het vrijwaringsincident van 28 november 2019;
- de schriftelijke pleitnotities van WEB in het vrijwaringsincident van 28 november 2019 met producties A en B;
- het vonnis in het vrijwaringsincident van 29 januari 2020, waarin is bevolen dat Ecogas in vrijwaring wordt opgeroepen;
- de incidentele conclusie tot rolvoeging van Metacorp van 29 januari 2020;
- de incidentele conclusie tot verwijzing naar mediation van Metacorp van 29 januari 2020 met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in het voegingsincident van WEB van 12 februari 2020;
- de conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing naar mediation van WEB van 12 februari 2020;
- het vonnis in de incidenten tot rolvoeging en verwijzing naar mediation van 4 maart 2020, waarin deze procedure op de rol is gevoegd met de procedure met nummer AUA201903695 (Web / Ecogas), en waarin een comparitie van partijen is gelast om de mogelijkheid van mediation te bespreken;
- de akte uitlating van WEB van 10 januari 2024;
- de akte uitlating van Metacorp van 10 januari 2024.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2DE ZAAK IN HET KORT
2.1
Metacorp maakt onderdeel uit van het Metacorp concern. Tot datzelfde concern behoort ook Ecogas Free Zone N.V. (hierna: Ecogas). Ecogas richt zich op de exploitatie en verkoop van uit afval verkregen stoffen en materialen en op de productie en levering van biogas.
2.2
WEB en Ecogas hebben op 30 september 2013 een zogenoemde “Biogas Purchase Agreement” (hierna: BPA) gesloten. Op grond van die overeenkomst moest Ecogas vanaf een bepaald moment een overeengekomen hoeveelheid biogas met bepaalde specificaties leveren aan WEB.
2.3
Omdat WEB van mening was dat Ecogas niet aan haar verplichtingen voldeed, heeft zij Ecogas bij brief van 4 mei 2015 in gebreke gesteld. Daarbij heeft zij Ecogas gesommeerd om de gemaakte afspraken na te komen.
2.4
Op 18 mei 2015 hebben WEB en Ecogas aanvullende afspraken gemaakt.
2.5
Op dezelfde datum heeft Metacorp aan WEB een Performance Guarantee verstrekt, waarin zij (samengevat) tot een bedrag van Afl. 3.500.000 instaat voor de verplichtingen van Ecogas onder de BPA.
2.6
Bij brief van 9 juli 2018 heeft WEB de BPA ontbonden omdat Ecogas volgens WEB niet aan haar verplichtingen voldeed. Op 13 september 2018 heeft WEB van Ecogas betaling gevorderd van Afl. 14.461.990,82, de schade die WEB door de gestelde niet-nakoming door Ecogas zegt te lijden. Ecogas heeft dit bedrag niet betaald. Daarover is bij dit Gerecht een afzonderlijke procedure aanhangig onder nummer AUA201903695.
2.7
Op 2 oktober 2018 heeft WEB Metacorp aangeschreven en betaling verzocht van Afl. 3.500.000 op grond van de Performance Guarantee. Metacorp heeft dit bedrag niet betaald. In deze procedure vordert WEB van Metacorp betaling op grond van de Performance Guarantee.
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
in de hoofdzaak
3.1
WEB vordert in de hoofdzaak dat Metacorp wordt veroordeeld om aan haar Afl. 3.500.000 te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar vanaf 2 oktober 2018 en met veroordeling van Metacorp in de proceskosten.
in het incident
3.2
Metacorp verzoekt dat partijen op de voet van artikel 21a Rv wordt opgedragen hun geschillen voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.
in de hoofdzaak en in het incident
3.3
Het Gerecht zal hierna – voor zover nodig – op de standpunten van partijen ingaan.
Beoordeling
in het incident en in de hoofdzaak
4.1
Deze zaak is in mei 2019 ingeleid. Op 11 maart 2020 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden naar aanleiding van het door Metacorp opgeworpen incident tot verwijzing naar mediation. Na afloop van die zitting hebben partijen een bemiddelingsovereenkomst gesloten, maar het mediationtraject heeft niet tot overeenstemming geleid.
4.2
Partijen zijn het niet eens over de vraag hoe het nu verder moet. WEB wil dat in de hoofdzaak wordt doorgeprocedeerd, Metacorp wil dat de mediation nieuw leven wordt ingeblazen. Het Gerecht begrijpt uit de akte uitlating dat Metacorp nog altijd wil dat het Gerecht partijen bij vonnis in incident gebiedt om – op de voet van artikel 21a Rv – hun geschil voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.
4.3
Deze vordering zal worden afgewezen. Partijen hebben al geprobeerd om onder leiding van een mediator tot overeenstemming te komen, maar die poging is mislukt. Zoals het Gerecht in het vonnis in incident van 4 maart 2020 overwoog, is een mediationtraject in beginsel gebaseerd op vrijwilligheid van de deelnemende partijen. Dat neemt niet weg dat de rechter ook de mogelijkheid heeft om mediation of een andere vorm van conflictbemiddeling op de dragen. In dit geval hebben partijen na enige druk van de rechter (WEB verzette zich immers aanvankelijk tegen deelname aan een mediationtraject) een bemiddelingsovereenkomst gesloten. Klaarblijkelijk verschillen partijen echter teveel van mening om tot overeenstemming te kunnen komen. Het Gerecht ziet (ook in deze bodemprocedure) geen aanleiding om partijen te dwingen om opnieuw met elkaar in gesprek te gaan. Metacorp heeft weliswaar betoogd dat er bij beide partijen personele wisselingen hebben plaatsgevonden, maar uit de mededelingen van WEB blijkt dat zij nog altijd geen heil ziet in mediation. Het lijkt het Gerecht dan ook weinig zinvol om WEB te dwingen om – opnieuw – met tegenzin een mediationtraject aan te gaan, nog afgezien van het feit dat het WEB dan zou vrijstaan om dat traject op ieder moment af te breken.
4.4
Omdat Metacorp in het incident in het ongelijk wordt gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten in dit incident. Die kosten worden aan de zijde van WEB begroot op Afl. 2.500 aan salaris gemachtigden (2 punten x tarief 5).
4.5
De hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. Omdat Metacorp nog geen verweer heeft gevoerd in de hoofdzaak, zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door Metacorp.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
in het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt Metacorp in de proceskosten in het incident, die tot de datum van uitspraak aan de kant van WEB worden begroot op Afl. 2.500 aan salaris van de gemachtigden, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 27 maart 2024 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Metacorp;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 februari 2024 in aanwezigheid van de griffier.