Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-11-20
ECLI:NL:OGEAA:2024:255
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,268 tokens
Inleiding
Vonnis van 20 november 2024
Behorend bij A.R. AUA202304395
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN INCIDENT
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres in de hoofdzaak,
gedaagde in de incidenten,
hierna te noemen: de Bank,
gemachtigde: de advocaat mr. M.L.J.J.P. Willems,
tegen:
[Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten],
wonende te Den Haag, Nederland,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in de incidenten,
hierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten],
gemachtigde: de advocaat mr. A.K.E. Henriquez.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de eis in de hoofdzaak, met producties, van 19 december 2023;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens eis in reconventie in de hoofdzaak tevens incidentele conclusie tot overlegging boeken en bescheiden en tot oproeping in vrijwaring van 4 september 2024;
- de conclusie van antwoord in de incidenten van 9 oktober 2024.
1.2
Vervolgens is incidenteel vonnis bepaald.
2DE VORDERINGEN IN DE HOOFDZAAK
In conventie
2.1
De Bank vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] te veroordelen om aan de Bank te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting:
- een bedrag in hoofdsom groot Afl. 1.734.160,98, vermeerderd met een bedrag van US$ 5,245.41 aan creditcardkosten (althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse florin);
- een bedrag van Afl. 141.208,80 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de ter zake doorlopende kosten;
- de overeengekomen rente van 11% over de hoofdsom van Afl. 1.734.160,98 en de overeengekomen rente van 1,5% per maand (18% per jaar) over de creditcardvordering, vanaf 27 maart 2023 tot de dag der algehele voldoening,
met veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.2
De Bank legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op PLZ Real Estate V.B.A. (hierna: PLZ) uit hoofde van een kredietfaciliteit van 6 oktober 2020 een opeisbare vordering heeft. Omdat PLZ niet aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de kredietfaciliteit jegens de Bank voldoet, ook niet na sommaties daartoe, heeft de Bank [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] aangesproken in zijn hoedanigheid van borg. [Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] (als UBO van PLZ) heeft zich bij akte van borgtocht van 12 januari 2017 borg gesteld tot een bedrag van US$ 1,533,000.00 (althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse florin), vermeerderd met rente en kosten, voor al hetgeen de Bank op enig moment uit welke hoofde dan ook te vorderen heeft van PLZ (en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] B.V.). [Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] is op grond van de borgstelling gehouden om over te gaan tot betaling van het bedrag van de borgstelling. [Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] weigert dit. In dat verband heeft de Bank tot zekerheid van verhaal, na daartoe verkregen verlof, al ten laste van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] op 27 november 2023 conservatoir beslag doen leggen op het aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] in eigendom toebehorende en met hypotheek belaste recht van erfpacht op een perceel domeingrond, plaatselijk bekend [adres], [plaats], Aruba, kadastraal bekend Land Aruba, tweede afdeling, sectie C, deel [kadastraalnummer], groot 775 m².
2.3 [
Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Bank in de kosten van het geding (inclusief de kosten van het opheffen van het beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente.
In reconventie
2.4 [
Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren:
primair: voor recht te verklaren dat de leningsovereenkomst en/of de borgtochtovereenkomst zoals overgelegd door de Bank als producties 3 en 4 nietig zijn, en subsidiair: de leningsovereenkomst en/of de borgtochtovereenkomst te vernietigen;
voor recht te verklaren dat de Bank aansprakelijk is voor alle schade die [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] lijdt, heeft geleden of zal lijden, als gevolg van het niet (op tijd) uitwinnen van de overige zekerheden in casu en/of het ten onrechte of prematuur aanspreken van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] als borg, welke schade nader bij staat zal dienen te worden opgemaakt;
de Bank te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief de kosten van het opheffen van het beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.5 [
Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat aan (de totstandkoming van) de lenings- en borgtochtovereenkomst meerdere gebreken kleven, dat deze overeenkomsten hierdoor nietig of vernietigbaar zijn en hij niet is aan te spreken als borg voor de lening van PLZ. De Bank heeft, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten], ook geen inzicht gegeven in de hoogte en het verloop van de schuld van PLZ en de uit te winnen zekerheden. De Bank heeft haar bancaire zorgvuldigheid geschonden door niet eerst andere zekerheden uit te winnen, maar zich meteen in rechte tot [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] als gepretendeerde borg te wenden. [Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] lijdt door dit alles schade waarvoor hij (in elk geval ook) de Bank op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk houdt.
2.6
De Bank heeft in reconventie nog niet voor antwoord geconcludeerd.
3DE VORDERINGEN IN DE INCIDENTEN
In het incident tot vrijwaring
3.1 [
Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren, hem toe te staan PLZ en haar directeur de heer [[directeur] (hierna: [directeur) in vrijwaring op te roepen, waarbij de vorderingen jegens hen gelden als volgt:
1. PLZ en [directeur] te veroordelen om aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] te voldoen al hetgeen waarin [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] zal worden veroordeeld in de hoofdzaak in conventie;
2. PLZ en [directeur] te veroordelen om aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] te voldoen alle schade die [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] lijdt, heeft geleden of zal lijden, als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen van PLZ jegens de Bank;
3. PLZ en [directeur] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
De Bank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevorderde vrijwaring.
Beoordeling
In het incident tot vrijwaring
4.1
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring wordt geacht tijdig en vóór alle weren te zijn genomen. [Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] heeft de vrijwaring opgeworpen in het eerste door hem ingediende processtuk na het inleidend verzoek van de Bank, tegelijk met het inhoudelijk antwoord in conventie en de eis in reconventie. Dat tussen de indiening van het verzoek en dit incident meer dan zeven maanden zit, maakt dit oordeel, gelet op het herhaaldelijk verkregen uitstel, niet anders.
4.2
Als gedaagde in de hoofdzaak meent gronden te hebben om van iemand vrijwaring te vorderen, is hij bevoegd om aan de rechter, onder aanvoering van die gronden, te verzoeken de oproeping van die persoon te bevelen. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.3 [
Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] heeft voldoende gesteld dat tussen hem, PLZ en [directeur] een rechtsverhouding - uit onrechtmatige daad - bestaat die tot vrijwaring kan verplichten. Daarmee is in beginsel aan het vereiste voor oproeping in vrijwaring voldaan.
Het enige bezwaar dat de Bank tegen de gevorderde vrijwaring opwerpt is ‘dat het feitelijk juridisch karakter van de door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] ten behoeve van de Bank gestelde zekerheid, afgewogen tegen een naar verwachting langdurig juridisch dispuut tussen [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten], PLZ en [directeur], ook voor de Bank zal resulteren in een lange (naar het Gerecht begrijpt: vertraagde) procedure in de hoofdzaak’.
Het Gerecht overweegt dat dit in het algemeen geen reden is om de vordering tot oproeping in vrijwaring af te wijzen. In de hoofdzaak is de procedure ook nog niet in stand van wijzen en evenmin is al een onredelijke procesvertraging ontstaan of voorzienbaar. Daarbij komt dat in zo’n geval de hoofd- en de vrijwaringszaak op verzoek of ambtshalve kunnen worden afgesplitst. Afsplitsing is niet gevorderd en het Gerecht ziet daartoe in dit stadium ook geen aanleiding. Van toewijzing van het verzoek is weliswaar enige, maar geen onredelijke of onnodige, vertraging van het geding te verwachten. Niet is gesteld of gebleken dat de Bank door toewijzing van het verzoek in enig ander belang wordt geschaad. Gelet op dit alles zal de gevorderde oproeping in vrijwaring worden toegewezen.
4.4
Het Gerecht zal de deurwaarder opdragen om PLZ en [directeur] op te roepen, met toezending van een afschrift van de processtukken onder 1.1 vermeld en het onderhavige vonnis.
4.5
Dictum
In het incident tot het in het geding brengen van boeken en bescheiden
4.6
Het Gerecht begrijpt dat het incident tot het in het geding brengen van boeken en bescheiden als tevens in de vrijwaring ingesteld. PLZ, tegen wie dit verzoek zich tevens richt, zal daarom in de vrijwaring in de gelegenheid worden gesteld van antwoord te dienen (daar waar de Bank dit al bij antwoord in incident heeft gedaan). De zaak zal met dat doel naar de rol worden verwezen.
4.7
Iedere verdere beslissing op het incidentele verzoek tot het in het geding brengen van boeken en bescheiden zal worden aangehouden.
In de hoofdzaak
4.8
De hoofdzaak zal te zijner tijd worden voortgezet in de stand waarin deze is gebleven. Voor nu zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
In het incident tot vrijwaring
5.1
staat toe dat PLZ en [directeur] in vrijwaring worden opgeroepen om ter terechtzitting van woensdag 29 januari 2025 in de vrijwaringszaak te verschijnen en van antwoord te dienen op de eis in vrijwaring van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] zoals hiervoor in 3.1 is weergegeven,
5.2
draagt de deurwaarder aan wie dit vonnis ter hand wordt gesteld op om PLZ en [directeur] ten behoeve van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten] uiterlijk op 11 december 2024 in vrijwaring op te roepen om ter terechtzitting van woensdag 29 januari 2025 in de vrijwaringszaak te verschijnen, onder gelijktijdige uitreiking aan hen van afschriften van de onder 1.1 vermelde processtukken en dit vonnis,
5.3
houdt iedere verdere beslissing aan,
In het incident tot het in het geding brengen van boeken en bescheiden
5.4
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 januari 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord in het incident door PLZ,
5.5
houdt iedere verdere beslissing aan,
In de hoofdzaak
5.6
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 november 2024 in aanwezigheid van de griffier.