Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-05-29
ECLI:NL:OGEAA:2024:130
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,358 tokens
Inleiding
Vonnis van 29 mei 2024
Behorend bij A.R. AUA202400323 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: Island Finance,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[Gedaagde],
te [adres] in Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 5 februari 2024 met producties I t/m V;
- de conclusie van antwoord.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1
Island Finance heeft in oktober 2021 een lening verstrekt aan [gedaagde] van Afl. 10.162,14, te vermeerderen met 27,76% effectieve rente per jaar rente en bijkomende kosten.
2.2 [
Gedaagde] heeft de lening niet binnen de afgesproken termijn terugbetaald.
2.3
Partijen hebben een paar keer contact met elkaar gehad over de terugbetaling van de lening. Op 3 januari 2024 heeft Island Finance een aanmaningsbrief gestuurd. Ook naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] niet betaald.
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
Island Finance vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld het bedrag van Afl. 10.162,14 aan haar terug te betalen, vermeerderd met de (gematigde) rente van 24,75% per jaar vanaf 30 september 2022, waarbij na iedere betaling na 30 september 2022 nog slechts rente verschuldigd is over de resterende hoofdsom en tot een maximum van Afl. 5.204,01 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten naar rato van 1 ½ punt van het liquidatietarief in eerste aanleg van Afl. 1.500,- en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2 [
Gedaagde] heeft niet bestreden dat hij het geleende geld aan Island Finance terug moet betalen. Wel heeft hij geschreven dat hij sinds april 2023 arbeidsongeschikt is, waardoor hij minder inkomsten heeft. Hij wil daarom graag een betalingsregeling afspreken.
3.3
Het Gerecht zal hierna ingaan op de standpunten van partijen.
Beoordeling
4.1 [
Gedaagde] heeft erkend dat hij het geleende geld aan Island Finance moet terugbetalen. Hij heeft om een betalingsregeling verzocht. Het Gerecht kan echter geen betalingsregeling opleggen: daarover moet [gedaagde] afspraken maken met Island Finance. Omdat [gedaagde] de gevorderde hoofdsom heeft erkend, zal deze worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde contractuele en wettelijke rente.
4.2
Island Finance vordert daarnaast ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten van Afl. 2.250,-. Dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen. In de aanmaningsbrief van 3 januari 2024 heeft Island Finance [gedaagde] gesommeerd om aan haar de hoofdsom te betalen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 24,75% per jaar én met de ook in het contract opgenomen boeterente van 5%. Zoals Island Finance in het verzoekschrift terecht opmerkt, mag zij echter op grond van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84) geen kredietvergoeding in rekening brengen van meer dan 27%. Island Finance heeft [gedaagde] dus in haar sommatiebrief – tegen beter weten in – aangemaand voor een hoger percentage dan toegestaan. Ook verder is niet gesteld of gebleken dat Island Finance bij haar andere incassowerkzaamheden de boeterente niet in rekening heeft gebracht, en dus is gebleven binnen de grenzen die het Gemeenschappelijk Hof heeft bepaald. In die omstandigheden ziet het Gerecht geen aanleiding om aan Island Finance een vergoeding toe te kennen voor haar incassowerkzaamheden.
4.3
Omdat de vordering van Island Finance grotendeels wordt toegewezen, wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten. Die worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht en Afl. 1.500,- (1 punt x tarief 4) aan gemachtigdensalaris.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
5.1
veroordeelt [gedaagde] aan Island Finance de hoofdsom van Afl. 10.162,14 te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 24,75% per jaar vanaf 30 september 2022 met een maximum van Afl. 5.204,01, en na het bereiken van dit maximum vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom tot de dag waarop de hele schuld zal zijn betaald;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van Island Finance, tot op heden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht en Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris;
5.3
verklaart in dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 mei 2024 in aanwezigheid van de griffier.