Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-05-22
ECLI:NL:OGEAA:2024:112
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,737 tokens
Inleiding
Uitspraak van 22 mei 2024
Lar nr. AUA202301950
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
de naamloze vennootschap
MANOR BEACH RESORT N.V.,
gevestigd in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: J. van Schaijk,
gericht tegen:
De minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
Procesverloop
Op 30 juni 2020 heeft appellante de toenmalige minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu verzocht om openbaarmaking krachtens de Landsverordening openbaarheid van bestuur (de Lob) van alle documenten opgesteld in de periode vanaf 1 januari 2016 tot heden (30 juni 2020) die betrekking hebben op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) en de Bubaliplas, inclusief het Carmabi-rapport.
Bij beschikking van 15 februari 2022 heeft verweerder besloten om aan appellante inzage te verlenen door lezing van de inhoud toe te staan en mondelinge informatie te verstrekken aangaande documenten van de RWZI.
Bij uitspraak van dit gerecht van 31 augustus 2022 (Lar nr. AUA202200758) heeft het gerecht onder meer de beschikking van 15 februari 2022 op het door appellante gemaakte bezwaar vernietigd, en bepaald dat verweerder binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante.
Bij beslissing van 23 maart 2023 heeft verweerder een nieuwe beslissing op het door appellante op 31 augustus 2020 gemaakte bezwaar genomen.
Hiertegen heeft appellante op 3 mei 2023 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 8 september 2023 een verweerschrift, met productie, ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting op 10 april 2024, waar partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, zijn verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
De standpunten van partijen
1.1
Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder weliswaar een nieuwe beslissing op haar bezwaar heeft genomen, maar dat daarmee geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van het gerecht van 31 augustus 2022, omdat verweerder nog immer de door appellante verzochte informatie niet heeft verstrekt.
1.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, omdat verweerder reeds aan het verzoek van appellante – voor zover mogelijk – heeft voldaan. De overige door appellante verzochte documenten betreffen – kort gezegd – interne stukken, die zich niet lenen voor openbaarmaking.
Het wettelijk kader
2.1
Het wettelijk kader, voor zover relevant, is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling
3.1
Zoals hiervoor is vermeld, is verweerder bij de uitspraak van het gerecht van 31 augustus 2022 opgedragen om binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van het Lob-verzoek. Bij beslissing van 23 maart 2023 heeft verweerder appellante onder meer het volgende te kennen gegeven:
“Gelet op bovengenoemde wordt gevolg gegeven aan het verzoek van 29 juni 2020 om conform artikel 4 lid 1 onder a. van de Lob inzage aan u te verlenen door kopie te geven of de letterlijke inhoud in andere vorm te verstrekken van informatie in documenten aangaande de RWZI rekening houdend met artikel 8 en 9 van de Lob. Waaronder ook het Carmabi-rapport.
U dient contact op te nemen met afdeling Beheer Waterschappen van de Dienst Openbare Werken voor genoemde inzage en/of verstrekking van kopieën c.q. digitale stukken.”
3.2
Ter zitting is de omvang van het geding aan de orde gekomen. Die wordt mede bepaald door de aanvraag. Appellante heeft haar aanvraag afgebakend in die zin dat is verzocht om alle documenten over de RWZI Bubaliplas vanaf 1 januari 2016 tot heden, dat wil zeggen de dag van het verzoek, te weten 30 juni 2020. Het verzoek ziet dus niet op documenten van na 30 juni 2020. Weliswaar duurt de problematiek rondom de RWZI Bubaliplas voort en zijn ook na 30 juni 2020 hierover tal van documenten verschenen. Het feit dat beroep is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan, maakt echter niet dat het geschil ook betrekking heeft op documenten van na 30 juni 2020.
Als appellante inzage wil in documenten over genoemd onderwerp van na 30 juni 2020 dan staat het haar vrij daarom te verzoeken op grond van de Lob. Verweerder kan een dergelijk verzoek afwachten. Verweerder kan er ook voor kiezen om actief informatie neergelegd in documenten over genoemd onderwerp openbaar te maken.
3.3
Ter zitting is besproken welke documenten inmiddels aan appellante zijn verstrekt. Dit betreft de documenten 1 tot en met 17 vermeld op folder 1 van de ‘Inventarislijst RWZI’. Deze zijn aan appellante verstrekt op een USB-stick op 22 mei 2023. Ter zitting heeft verweerder aangeboden appellante ook afschriften te verstrekken van de documenten 18 tot en met 38 genoemd op folder 1. Deze documenten zal verweerder zo spoedig mogelijk aan appellante doen toekomen. Daarnaast zijn aan appellante vier documenten verstrekt over de RWZI-problematiek in het kader van een civielrechtelijke procedure (AUA202200037AR). Het geschil tussen partijen spitst zich in deze procedure toe op de verstrekking van de documenten 1 tot en met 22 genoemd op folder 2 van de inventarislijst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat al deze documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden omdat het bepaalde in artikel 9 van de Lob zich daartegen verzet. Kortweg gaat het dan om interne memo’s en notities bestemd voor intern beraad al dan niet met persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren.
3.4
Verweerder heeft de documenten genoemd op folder 2 toegezonden aan het gerecht en onder verwijzing naar artikel 10 van de Procesregeling bestuursrecht 2022 verzocht om beperkte kennisneming en geheimhouding. Het gerecht heeft de documenten op folder 2 ingezien om te kunnen beoordelen of verweerder deze terecht niet openbaar heeft gemaakt. De beoordeling van deze documenten leidt tot de volgende driedeling:
A: een aantal documenten zijn van na 30 juni 2020 en vallen daarom buiten de omvang van dit geding. Dit betreft de documenten 5, 7, 8, 10–12, en 15-22. Het gerecht komt om die reden niet toe aan de vraag of verweerder zich voor deze documenten al dan niet terecht heeft beroepen op artikel 9 van de Lob.
B: van de documenten 2, 9 en 13 is het gerecht van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat artikel 9 van de Lob zich tegen openbaarmaking verzet.
C: Van de overige documenten is het gerecht van oordeel dat openbaarmaking niet of niet integraal kan worden geweigerd op grond van artikel 9 van de Lob. Daarbij geldt het volgende:
de documenten 1, 4 en 6 dienen integraal openbaar te worden gemaakt;
document 3 dient openbaar te worden gemaakt, met uitzondering van (kolom C) de namen van de uitgenodigde leveranciers;
document 14 dient openbaar te worden gemaakt, met uitzondering van de naam van de gever.
3.5
Van een viertal onderwerpen (nrs. 1, 13, 20 en 26) genoemd op de lijst ‘Specifieke verzoeken van Manor in de zaak AUA202301950LAR’ heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen documenten voorkomen in de postregistratie van de DOW dan wel dat er geen ingeboekte stukken over het betreffende onderwerp bekend zijn. Ter zitting is besproken, en door verweerder is erkend, dat het enkele feit dat een document niet voorkomt in de postregistratie niet uitsluit dat het document zich bevindt binnen het ministerie en/of de onder het ministerie ressorterende diensten. Naar aanleiding van een lob-verzoek zal verweerder zich dienen te vergewissen of de gevraagde informatie, neergelegd in documenten, aanwezig is, waarbij niet kan worden volstaan met een check in de postregistratie. Het gerecht is echter niet gebleken dat verweerder in dit geval heeft volstaan met een check in de postregistratie, gelet op de geproduceerde inventarislijsten.
3.6
Wat betreft het verzoek om openbaarmaking van ‘concept wetgeving over privatisering RWZI’ heeft te gelden dat de openbaarmaking van (concept) wetgeving afzonderlijk is geregeld. Verweerder heeft aangegeven dat het betreffende wetsvoorstel thans voorligt bij de Raad van Advies en openbaar wordt als het bij de Staten wordt ingediend.
Conclusie
4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking voor zover verweerder heeft nagelaten de documenten hiervoor genoemd onder 3.4 onderdeel C geheel of gedeeltelijk openbaar te maken. Verweerder dient in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het is niet aan het gerecht om de documenten genoemd onder 3.4 onderdeel C aan appellante te verstrekken. Daarmee zou een eventueel hoger beroep zinledig worden gemaakt.
5. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het gestorte griffierecht ad Afl. 25,- dient door verweerder aan appellante te worden vergoed.
6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden beschikking van 23 maart 2023, voor zover verweerder heeft nagelaten de documenten hiervoor genoemd onder 3.4 onderdeel C geheel of gedeeltelijk openbaar te maken;
draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.
Bijlage:
De Landsverordening openbaar van bestuur (Lob)
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Lob wordt onder de minister verstaan: de minister wie het aangaat.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lob kan een ieder de minister schriftelijk verzoeken om informatie, neergelegd in documenten.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, beslist de minister op een verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken na de ontvangst van het verzoek.
Ingevolge artikel 4, eerste lid van de Lob geeft de minister gevolg aan het verzoek door van de documenten waarop het verzoek betrekking heeft:
a. kopie te geven of de letterlijke inhoud in andere vorm te verstrekken,
b. een schriftelijke samenvatting van de inhoud te verstrekken,
c. lezing van de inhoud toe te staan, of
d. mondeling informatie omtrent de inhoud te doen verstrekken.
Ingevolge het tweede lid wordt bij het kiezen van de vorm waarin aan het verzoek gevolg wordt gegeven, rekening gehouden met de voorkeur van de verzoeker, met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden van de administratie en met de artikelen 8 en 9.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Lob blijft het verstrekken van informatie achterwege, voor zover dit:
a. de eenheid van de regering in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van het Land zou kunnen schaden;
c. informatie betreft, afkomstig van een bestuursorgaan van een ander land van het Koninkrijk, die in het desbetreffende land op grond van de aldaar geldende wettelijke regelingen niet zou worden verstrekt;
d. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.
Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie voorts achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen een van de navolgende belangen:
a. de economische of financiële belangen van het Land;
b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften;
d. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
e. het belang dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;
f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lob blijft het verstrekken van informatie over gegevens uit documenten, opgesteld ten behoeve van een beraad over een bestuurlijke aangelegenheid achterwege, voor zover die gegevens nog in bewerking zijn of voor zover die gegevens betrekking hebben op opvattingen, voorstellen, aanbevelingen of conclusies van een of meer personen over het beleid van de Minister en de daartoe door deze of dezen aangevoerde argumenten. Over de in de desbetreffende documenten vervatte feitelijke gegevens en de daaruit afgeleide prognose en beleidsalternatieven wordt, behoudens artikel 8, wel informatie verstrekt.
Ingevolge het tweede lid wordt onder een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van het eerste lid verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van de regering of de Minister, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering daarvan.