Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2023-10-04
ECLI:NL:OGEAA:2023:342
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,612 tokens
Inleiding
Uitspraak van 4 oktober 2023
Lar nr. AUA202301773
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
PROCES-VERBAAL VAN DE MONDELINGE UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
1. [Appellante],
van Venezolaanse nationaliteit,
APPELLANTE,
2. [Appellant],
van Venezolaanse nationaliteit,
APPELLANT,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C. Geerman.
Openbare zitting gehouden op 4 oktober 2023 om 8:30 uur.
Tegenwoordig:
mr. drs. S. Lanshage, rechter.
M. de Cuba, griffier.
Verschenen:
Namens appellanten is de gemachtigde verschenen. Appellant is gedurende de zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die is verschenen met mr. Y.F.M. Kaarsbaan, werkzaam bij Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
Ten aanzien van het beroep van appellant [appellant]
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
Ten aanzien van het beroep van appellante [appellante]
verklaart het beroep van gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar van 3 mei 2023;
herroept de beschikking van 9 november 2022 waarin verweerder het verzoek van appellante om opheffing van het terugkeerverbod heeft afgewezen;
bepaalt dat verweerder binnen twee weken na de datum van deze uitspraak het verzoek van appellante van 4 oktober 2022 doorstuurt aan de Minister van Arbeid, Energie en Integratie om op het verzoek van appellante te beslissen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.400,- te betalen aan appellante;
gelast dat het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald.
Overwegingen
Daartoe overweegt het gerecht als volgt.
Is appellant belanghebbende?
1. Appellant betoogt dat zijn belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. De handhaving door verweerder van het terugkeerverbod beperkt appellant in de uitoefening van zijn gezinsleven met zijn echtgenote.
1.1
Verweerder meent dat het belang van appellant niet rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Ook is er volgens verweerder geen sprake van een afgeleid belang, omdat het terugkeerverbod enkel is gericht aan appellante.
2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.
2.1
Het Gerecht is van oordeel dat appellant geen belanghebbende is. Zijn belang is niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. Het terugkeerverbod ziet op appellante en het bestreden besluit is ook aan haar gericht. Appellant wordt weliswaar getroffen door het bestreden besluit, dat is echter niet rechtstreeks maar via zijn huwelijk met appellante. Appellant zal daarom in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
3. Het Gerecht toetst ambtshalve of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
3.1
Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar. Het vierde lid bepaalt dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde periode wordt bepaald. Ter uitvoering hiervan is het Toelatingsbesluit 2009 (het Toelatingsbesluit) ingevoerd.
3.2
Op grond van artikel 1 aanhef van het Toelatingsbesluit wordt onder de Minister verstaan: de minister, belast met vreemdelingenzaken en integratiebeleid.
3.3
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Landsverordening instelling ministeries 2022 (Lim) betreffen de aangelegenheden die tot de zorg van het Ministerie van Justitie en Sociale Zaken behoren onder andere: de grensbewaking. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Lim betreffen de aangelegenheden die tot de zorg van het Ministerie van Arbeid, Energie en Integratie behoren onder andere: het vreemdelingen- en integratiebeleid.
3.4
Artikel 11, eerste lid, van het Toelatingsbesluit bepaalt dat bij regeling van de Minister de normen worden vastgelegd voor het bepalen van de periode gedurende welke een toelatingsplichtige als bedoeld in artikel 10 niet tot Aruba wordt toegelaten. De periode van niet-toelating is opgenomen in de ministeriële regeling ter uitvoering van de artikelen 11, eerste lid, en 17, derde lid, van het Toelatingsbesluit.
3.5
Artikel 11, derde lid, van het Toelatingsbesluit bepaalt dat de in een bevelschrift opgenomen periode van niet-toelating door de Minister kan worden verkort of opgeheven:
a. op een daartoe strekkend schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de betrokkene,
b. om redenen, aan het algemeen belang ontleend.
3.6
Het Gerecht is van oordeel dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het betreft een beslissing op bezwaar naar aanleiding van een afwijzing van het verzoek van appellante om het aan haar opgelegde terugkeerverbod op te heffen. Op grond van artikel 11, derde lid, van het Toelatingsbesluit gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef, van het Toelatingsbesluit is de minister van vreemdelingenzaken en integratiebeleid bevoegd om een periode van niet-toelating te verkorten of op te heffen. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Lim is de Minister van Arbeid, Energie en Integratie de minister belast met vreemdelingenzaken en integratiebeleid. Dat betekent dat verweerder niet bevoegd was te beslissen op het verzoek van appellante tot opheffing van de periode van niet-toelating, maar de Minister van Arbeid, Energie en Integratie. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
3.7
De vernietiging van het bestreden besluit leidt ertoe dat de afwijzing van het verzoek van appellante om opheffing van de periode van niet-terugkeer van 9 december 2022 weer open ligt. Die beschikking van 9 december 2022 is ook door verweerder genomen, terwijl verweerder niet bevoegd is om over de opheffing van een periode van niet-toelating te beslissen. Het Gerecht zal de beschikking van 9 december 2022 herroepen.
3.7
Appellante heeft verzocht dat het Gerecht zelf in de zaak zal voorzien door opheffing van de periode van niet-terugkeer. Het Gerecht kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het in eerste instantie aan de wel bevoegde minister is een beslissing op het verzoek van appellante te nemen. Het Gerecht zal bepalen dat verweerder het verzoek van appellante van 4 oktober 2022 binnen twee weken na de datum van deze uitspraak aan de Minister van Arbeid, Energie en Integratie moet doorsturen.
Kan appellante de beslissing op haar verzoek in Aruba afwachten?
4. Appellante heeft ter zitting verzocht dat het Gerecht bij wijze van voorlopige voorziening zal beslissen dat appellante de beslissing op haar verzoek van 4 oktober 2022 in Aruba zal mogen afwachten. Volgens appellante moet haar recht op het uitoefenen van ‘family life’ met haar echtgenoot en haar moeder zwaarder wegen dan het belang van Aruba dat zij in het buitenland een beslissing op haar verzoek afwacht.
4.1
Verweerder concludeert tot afwijzing van dit verzoek van appellante. Het uitzettingsbevel met daarin de periode van niet-toelating blijft ook door de vernietiging van het bestreden besluit en de beschikking van 9 november 2022 in stand. Volgens verweerder moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat appellante enkele jaren zonder geldige verblijfstitel in Aruba heeft verbleven. Daarnaast moet zij in staat worden geacht om haar ‘family life’ in Colombia uit te oefenen.
5. Het Gerecht wijst het verzoek van appellante om de beslissing op haar verzoek van 4 oktober 2022 in Aruba af te mogen wachten af. In de eerste plaats is het argument dat appellante in dit verband aanvoert, namelijk haar recht op ‘family life’ een argument dat zij tegen het uitzettingsbevel aan de orde had moeten stellen. In de tweede plaats heeft het Gerecht geen standpunt van de wel bevoegde minister ten aanzien van het verzoek van appellante tot opheffing van de periode van niet-toelating.
Proceskosten
6. Het Gerecht ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het Gerecht begroot de proceskosten van appellante op Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700,- en wegingsfactor 1). Verweerder zal ook het griffierecht aan appellante dienen te vergoeden.
Hoger beroep
7. Partijen zijn ter zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen op de hieronder vermelde wijze.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2023 door mr. drs. S. Lanshage, rechter in dit gerecht, in aanwezigheid van de griffier.