Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2023-09-06
ECLI:NL:OGEAA:2023:198
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,036 tokens
Inleiding
Uitspraak van 6 september 2023
Lar nr. AUA202302922
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[naam verzoeker],
wonende in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, INNOVATIE, OVERHEIDSORGANISATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING
,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).
Procesverloop
Bij beschikking van 10 juli 2023 (de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van verzoeker om verlening van een vergunning om op het trottoir voor zijn woonhuis te [adres] enkele bloembakken te mogen plaatsen, afgewezen.
Hiertegen heeft verzoeker op 21 augustus 2023 bezwaar gemaakt.
Op 23 augustus 2023 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.
Verweerder heeft op 22 augustus 2023 stukken ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 23 augustus 2023. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Standpunten van partijen
1. Het verzoek strekt tot schorsing van de bestreden beschikking en – zo begrijpt het gerecht – tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van de verzochte vergunning. Daartoe heeft verzoeker - kort samengevat - aangevoerd dat dat de door hem geplaatste plantenbakken geen gevaarlijke situatie opleveren maar deze juist een veilige doorgang voor voetgangers creëren. Voorts parkeren klanten en werknemers van nabijgelegen bedrijven hun auto’s – in strijd met de wet – op het trottoir en voor zijn in- en uitrit. De door hem geplaatste plantenbakken dienen ter voorkoming van schade aan zijn tuinmuur door autodeuren die daartegen slaan. Door de gevraagde vergunning te weigeren handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een lijst met adressen en foto’s overgelegd van situaties waar ook plantenbakken op het trottoir zijn geplaatst en waar verweerder niet tegen optreedt.
2. Aan de bestreden heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het niet is toegestaan om enige obstakels op het trottoir/de berm te plaatsen omdat het openbaar karakter altijd behouden moet blijven. In de [adres] is het trottoir 2 meter breed en conform beleid is het plaatsen van obstakels daarop niet toegestaan. Obstakelvrije bermen/trottoirs met breedtes van 2 meter of minder zijn niet alleen bedoeld voor de vrije toegang voor voetgangers, maar dienen ook als ruimte voor de weggebruiker indien deze om enige reden zal moeten uitwijken.
Geschil
3.1
Ter beantwoording ligt voor de vraag of de uitvoering van de bestreden beschikking voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
3.2
Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
Het wettelijk kader
4.1
Voor zover hier van belang wordt, ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Politieverordening (APv), onder openbare weg verstaan: alle straten, wegen, stegen, gangen, paden, stoepen, trottoirs, plantsoenen of andere openliggende of ten dienste van het publiek bestemde gronden.
4.2
Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de APv is het verboden zonder vergunning van de minister, belast met publieke werken of een door hem aan te wijzen ambtenaar in, op of over de openbare weg iets, hoegenaamd, te planten, te plaatsen, te spannen, te hangen, vast te hechten, uit te breiden uit te slaan, te drogen, te luchten, te slepen of te hebben.
De vaststaande feiten
5.1
Op 17 maart 2023 heeft een medewerker van Dienst Openbare Werken (DOW) geconstateerd dat verzoeker zonder vergunning op de openbare berm voor zijn woonhuis plantenbakken geplaatst.
5.2
Bij beschikking van 5 april 2023 heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de door hem op de openbare berm voor zijn woonhuis geplaatste plantenbakken, binnen een week te verwijderen.
5.3
Hiertegen heeft verzoeker op 11 april 2023 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij het gerecht verzocht de beschikking tot aanzegging van bestuursdwang te schorsen dan wel ter zake een voorlopige voorziening te treffen.
5.4
Op 16 mei 2023 heeft verzoeker een schriftelijk verzoek ingediend om op het trottoir voor zijn woonhuis te [adres] enkele bloembakken te mogen plaatsen.
5.5
Bij uitspraak van dit gerecht van 7 juni 2023 (AUA202301239) heeft het gerecht het onder 5.3 bedoelde verzoek afgewezen,
5.6
Bij de thans bestreden beschikking van 10 juli 2023 heeft verweerder het onder 5.4 genoemd verzoek afgewezen.
Beoordeling
6.2
Het gerecht stelt voorop dat in deze zaak niet de vraag aan de orde is, of verweerder voorlopig behoort af te zien van handhavend optreden tegen de door verzoeker gepleegde overtreding van de APv. Die vraag was onderwerp van de procedure inzake de bestuursdwangbeschikking van 5 april 2023, waarin het gerecht op 7 juni 2023 reeds uitspaak heeft gedaan. De juistheid van die uitspraak staat hier niet ter discussie. Het onderhavige verzoek betreft uitsluitend de weigering om aan verzoeker vergunning te verlenen voor de door hem geplaatste bloembakken. Dit betekent dat voor het treffen van een voorlopige voorziening ter zake in beginsel slechts aanleiding zal zijn, indien naar het voorlopig oordeel van het gerecht in de bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk tot de conclusie zal worden gekomen dat de gevraagde vergunning niet kan worden geweigerd.
6.3
Voor dat oordeel ziet het gerecht onvoldoende aanknopingspunten. Daartoe wordt overwogen dat verzoeker de redelijkheid van het door verweerder volgens de bestreden beslissing gevoerde beleid niet gemotiveerd heeft betwist, noch verweerders standpunt dat dit beleid aan de verlening van de vergunning in de weg staat, heeft weersproken. Het verzoek is met name gebaseerd op de gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep slaagt echter niet. Schending van het gelijkheidsbeginsel zou, wat betreft de in deze procedure te beantwoorden vraag, slechts aan de orde zijn, als zou komen vast te staan dat verweerder in gelijke gevallen wel vergunning voor het plaatsen van plantenbakken heeft verleend. Het enkele – al dan niet bewust – niet handhavend optreden daartegen, is in dit verband niet relevant. Nu verzoeker ter zitting heeft verklaard dat in geen van de door hem genoemde gevallen een vergunning is verleend, is derhalve geen sprake van gelijke gevallen.
7. Dit leidt tot de slotsom dat niet is gebleken dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking onevenredig nadeel voor verzoeker met zich brengt in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
8. Gelet hierop is voor het treffen van een voorlopige voorziening dan ook geen grond. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.