Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2023-07-05
ECLI:NL:OGEAA:2023:104
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,898 tokens
Inleiding
Vonnis van 5 juli 2023
Behorend bij A.R. B.B. no. AUA202300141
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS in de zaak van:
de naamloze vennootschap
SERVICIO DI TELECOMUNICACION DI ARUBA (SETAR) N.V.,
in Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: Setar,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[naam gedaagde],
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon.
1HET PROCESVERLOOP
1.1
Het verloop van de procedure tot 29 maart 2023 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de comparitie van partijen, gehouden op 23 mei 2023, in aanwezigheid van Setar, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en [gedaagde] in persoon.
1.2
De datum voor vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1
SETAR, een telecommunicatiebedrijf in Aruba, heeft op grond van een overeenkomst die tussen partijen in augustus 2015 tot stand is gekomen diensten geleverd aan [gedaagde].
2.2
Ergens in het jaar 2017 is een schuld ontstaan van Afl. 1.283,56.
2.3
Bij brief van 19 december 2017 gericht aan [gedaagde] is [gedaagde] aangemaand om bovenvermeld bedrag plus kosten en rente te betalen.
2.4
Op 16 augustus 2019 heeft de gemachtigde van Setar [gedaagde] een reminder gestuurd van het bedrag dat [gedaagde] bij Setar nog heeft openstaan. De reminder ziet er als volgt uit.
“Betreft: ORMMA4-SETAR N.V. / [gedaagde], [naam gedaagde]
(…)
Hierbij doen wij u een overzicht toekomen van hetgeen [gedaagde] aan cliente SETAR N.V. per heden is verschuldigd.
Hoofdsom Afl. 1,283.56
Rente 3.00 % over Afl. 1,283.56 over 08-11-2017 tot 29-11-2022 Afl. 198.29
Buitenger. Incassokosten Afl. 199.51
Uittreksel Bevolkingsregister Afl. 5.00
Adm.kosten deurwaarder Afl. 0.00
_______________________
Totaal 1,686.36
Reeds betaald 0.00
________________________
Nog te ontvangen 1,686.36”
2.5 [
gedaagde] heeft ondanks aanmaning en reminder het bedrag onbetaald gelaten.
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
Setar vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren betalingsbevel [gedaagde] beveelt om aan haar te betalen het bedrag van Afl. 1.283,56, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 8 november 2017 tot de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met Afl. 375,- aan overeengekomen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de griffierechten van Afl. 100,-.
3.2
Setar heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar betalingsverplichting voortvloeiende uit de overeenkomst tussen partijen.
2.3 [
gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.
Beoordeling
4.1 [
gedaagde] heeft primair beroep gedaan op verjaring en heeft ter onderbouwing daarvan het volgende aangevoerd. Voor een vordering als hierboven geldt een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf het opeisbaar worden van de rechtsvordering. Inmiddels is meer dan vijf jaar verstreken sinds de vordering opeisbaar is geworden. De vordering kan derhalve - vanwege verjaring - niet meer worden afgedwongen, aldus [gedaagde].
4.2
Naar het oordeel van het Gerecht heeft het beroep van [gedaagde] geen kans van slagen, en wel om de volgende redenen. Setar heeft er ter afwering van het beroep op verjaring op gewezen dat zij op 19 december 2017 een aanmaningsbrief heeft verzonden naar [gedaagde] en vervolgens op 16 augustus 2019 een reminder, zoals hierboven weergegeven. De aanmaningsbrief is verstuurd aan het adres [adres], welk adres ten tijde van verzending het officiële adres van [gedaagde] was, en de reminder is verzonden aan het adres [adres], welk adres ten tijde van verzending conform het uittreksel van het bevolkingsregister het officiële adres van [gedaagde] was. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard destijds te [adres] te hebben gewoond, alwaar de aanmaningsbrief is verstuurd, en sinds 2017 te [adres] woonachtig te zijn, alwaar de reminder is verstuurd. Het Gerecht is gelet op het voorgaande van oordeel dat zelfs indien [gedaagde] al verhuisd zou zijn toen de aanmaningsbrief op 19 december 2017 aan haar werd verstuurd, waardoor zij die brief niet heeft kunnen ontvangen, dan nog geldt dat [gedaagde], gelet op de inhoud van de verstuurde reminder die - zoals onbetwist is gesteld - naar haar officiële adres is verzonden, heeft kunnen begrijpen dat zij rekening had dienen te houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt. Het Gerecht is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de verjaring tijdig is gestuit. Dat [gedaagde] zich niet meer kan herinneren of zij de brieven heeft ontvangen, zoals ter zitting gesteld, komt voor haar rekening en staat naar het oordeel van het Gerecht de stuiting van de verjaring niet in de weg. De vordering voor wat betreft de hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
4.3
De wettelijke rente zal als zijnde niet betwist worden toegewezen als gevorderd.
4.4
Nu voldoende gesteld en gebleken is dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daadwerkelijk en in redelijkheid zijn gemaakt, zal die worden toegewezen als na te melden.
4.5 [
gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Setar, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 100,-- aan griffierechten en Afl. 500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van tarief 2 van het liquidatietarief, ad Afl. 500,-- per punt).
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Setar te betalen het bedrag van Alf. 1.283,56, te
vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 8 november 2017 tot aan de dag
der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke
incassokosten ad Afl. 375,-;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op
Afl.100,- aan griffierechten en Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris;
5.3
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.