Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2021-07-07
ECLI:NL:OGEAA:2021:344
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,333 tokens
Inleiding
Uitspraak van 7 juli 2021
AUA202101115 LAR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: J.M. Harewood (DIMAS).
Procesverloop
Bij beschikking van 21 maart 2020 heeft verweerder het asielverzoek van verzoeker afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 26 maart 2020 bezwaar gemaakt.
Op 23 april 2021 heeft verzoeker (opnieuw) een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 Lar bij dit gerecht ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 juni 2021, waar zijn verschenen verzoeker (via telefoonverbinding), bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.
Uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Het wettelijk kader
1.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
Feiten
2.1
Verzoeker, geboren in Venezuela op [geboortedatum] 1989 en van Venezolaanse nationaliteit, is op 7 juni 2018 als toerist Aruba binnengekomen met een toegestane verblijfsduur van drie dagen.
2.2
Op 17 januari 2020 heeft verzoeker asiel aangevraagd. Bij beschikking van 21 maart 2020 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 26 maart 2020 bezwaar gemaakt.
2.3
Op 26 maart 2020 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend. Het verzoek is bij uitspraak van 23 april 2020 (AUA202000980) van dit gerecht afgewezen.
2.4
Op 23 september 2020 heeft verzoeker het gerecht opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het tegen de beschikking van 21 maart 2020 gemaakte bezwaar. Het verzoek is bij uitspraak van 7 oktober 2020 (AUA202002369) van dit gerecht afgewezen.
2.5
Bij uitspraak van 11 januari 2021 (AUA202001846) heeft het gerecht het door verzoeker ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar gegrond verklaard, de fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder binnen drie maanden een reële beslissing neemt op het bezwaar.
2.6
Op 27 april 2021 is verzoeker uitgezet.
Beoordeling
3.1
Het verzoek strekt tot schorsing van de beschikking van 21 maart 2020 totdat op het daartegen ingediende bezwaarschrift is beslist en verzoeker te beschouwen als in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning. Zoals hiervoor onder 2.6 is vermeld, is de uitzetting van verzoeker op 27 april 2021 geëffectueerd. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij sindsdien in Venezuela verblijft. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting te kennen gegeven dat onder deze omstandigheden het met het verzoek beoogde, te weten afwachten van de beslissing op het tegen de afwijzing van de asielaanvraag gemaakte bezwaar, niet meer kan worden bereikt. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is ingetrokken noch gewijzigd, om daarmee te kennen te geven dat verzoeker nog altijd een beschikking op het gemaakte bezwaar wenst te krijgen, aldus de gemachtigde.
3.2
Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat de door verzoeker gestelde belangen zodanig spoedeisend zijn, dat de door verweerder te geven beschikking op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aanvankelijk met het verzoek beoogde niet meer kan worden bereikt, en dat, voor zover verzoeker met zijn verzoek thans beoogt een beschikking op het gemaakte bezwaar af te dwingen, hij de daartoe geëigende procedures kan volgen.
3.4
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
3.5
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
-wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2021 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.