Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2019-08-21
ECLI:NL:OGEAA:2019:547
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
923 tokens
Inleiding
Uitspraak van 21 augustus 2019
VrZ AUA201902595
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
van de rechter-commissaris belast met de behandeling
van administratiefrechtelijke inbewaringstelling,
op het verzoek van:
[ Verzoeker ],
van Dominicaanse nationaliteit,
VERZOEKER,
gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper,
Procesverloop
Bij bevelschrift van 8 juli 2019 heeft de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister) de inbewaringstelling van verzoeker bevolen.
Op 10 juli 2019 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat deze vrijheidsontneming rechtmatig is.
Op 5 augustus 2019 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 augustus 2019. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
Uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
1. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de betrokkene binnen 72 uur voor een rechter-commissaris geleid, die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven.
Beoordeling
3. Vaststaat dat verzoeker niet rechtmatig in Aruba verblijft, zodat op hem de rechtsplicht rust Aruba te verlaten. Die rechtsplicht brengt onder meer met zich dat hij volledige medewerking dient te verlenen aan iedere poging van de minister om terugkeer naar zijn land van herkomst of enig ander land waar zijn toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. Ter zitting heeft verweerder onweersproken te kennen gegeven dat verzoeker weigert medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. Voor het overige doet zich geen beletsel voor uitzetting voor.
4. Verzoeker betoogt verder dat hij in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf en dat hij in afwachting is van beslissingen van de minister op het door hem gemaakte bezwaar tegen een afwijzing van een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf en op een gedurende zijn bewaring ingediend nieuw verzoek daartoe.
5. De rechter-commissaris overweegt dat de vraag of verzoeker voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in aanmerking komt, niet in deze procedure beoordeeld dient te worden, maar in een eventuele procedure ter verkrijging van een zodanige vergunning. Ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris van 10 juli 2019 was verzoeker al in afwachting van een beslissing op zijn bezwaar tegen een afwijzing van de minister van zijn verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechter-commissaris bij die beslissing de bewaring rechtmatig geacht, en is dat oordeel in rechte onaantastbaar. De enkele omstandigheid dat verzoeker gedurende zijn bewaring een nieuw verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft ingediend, met een ander verblijfsdoel, maakt het voortduren van de bewaring hangende dat verzoek niet onrechtmatig.
6. Bij afweging van alle betrokken belangen komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is.
Dictum
De rechter-commissaris:
- wijst het verzoek af;
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter-commissaris, op 21 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.