Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2019-06-12
ECLI:NL:OGEAA:2019:418
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,218 tokens
Inleiding
Vonnis van 12 juni 2019
Behorend bij A.R.1513 van 2017/ AUA201701558
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser]
wonend te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock,
tegen:
de naamloze vennootschap
BANCO DI CARIBE (Aruba) N.V. ,
gevestigd te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: BdCA,
gemachtigde: de advocaat mr. M. Bemer.
1DE VERDERE PROCEDURE
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 november 2018;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte uitlating producties van 24 april 2019 aan de zijde van [eiser].
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2DE VERDERE BEOORDELING
Vonnissen van 30 mei en van 14 november 2018
2.1
Aan zijn vordering, voor zover nu van belang, heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat tussen hem en BdCA gedurende de periode van 10 maart 2008 tot 1 juli 2017 een overeenkomst van opdracht gold. Omdat partijen over de hoogte van het loon geen afspraken hebben gemaakt, is BdCA hem uit hoofde van die overeenkomst een redelijk loon in de zin van artikel 7:405, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd. Een redelijk loon in deze zin is Afl. 60.000,- per jaar voor het commissariaat van BdCA, naast het loon dat hij ontvangt voor het commissariaat van Banco di Caribe N.V. (hierna: BdC), aldus [eiser]. BdCA heeft daartegen het verweer gevoerd dat de hoogte van het loon is overeengekomen en wel dat gaat om een vast loon van ongeveer Afl. 45.000,- per jaar (US$ 25.000,-), onafhankelijk van het aantal vervulde commissariaten binnen de bancaire bedrijfstak van de Ennia Caribe Holding N.V., waaronder BdC en BdCA vallen.
2.2
Bij tussenvonnis van 30 mei 2018 heeft het gerecht overwogen dat het er voorshands vanuit gaat dat het regel is binnen BdC/BdCA dat een commissaris met meerdere commissariaten binnen een bedrijfstak, slechts één vergoeding ontvangt. Aldus heeft het gerecht voorshands bewezen geacht dat tussen partijen een vast loon is overeengekomen voor het verrichten van werkzaamheden als commissaris binnen een bedrijfstak van Ennia Caribe Holding N.V., ongeacht het aantal vervulde commissariaten.
Dat oordeel zag niet op de hoogte van het overeengekomen loon. In dit verband heeft het gerecht BdCA in de gelegenheid gesteld om, met het opstellen van een overzicht van de aan de verschillende commissarissen betaalde vergoedingen in de periode van 2013 tot 2018 met vermelding van de door hen vervulde commissariaten, haar stelling te onderbouwen dat de vergoeding van [eiser] gelijk is aan die van de andere commissarissen met een vergelijkbaar werkpakket, te weten ongeveer Afl. 45.000,- per jaar.
2.3
Nadat partijen over en weer aktes hebben gediend, heeft het gerecht het vonnis van 14 november 2018 gewezen, waarbij de zaak naar de rol heeft verwezen voor het nemen van een conclusie van repliek. Daarbij heeft het gerecht overwogen dat het hem geraden voorkomt dat [eiser] van deze gelegenheid gebruik maakt om zijn stelling dat andere commissarissen Afl. 60.000,- per jaar ontvingen en dat dit bedrag betrekking had op één commissariaat met verifieerbare stukken te onderbouwen. Aldus heeft het gerecht [eiser] door middel van het leveren van schriftelijk bewijs toegelaten tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat een vast loon is overeengekomen, dat onafhankelijk is van het aantal vervulde commissariaten binnen een bedrijfstak. Ook heeft het gerecht [eiser] aldus in de gelegenheid gesteld om de stelling van BdCA dat dat loon ongeveer Afl. 45.000,- per jaar bedraagt met schriftelijke stukken onderbouwd te betwisten.
Vast loon?
2.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 16 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AM2358) geldt voor een eindbeslissing de, op beperking van het processuele debat gerichte, regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.
Met het oordeel dat het gerecht voorshands bewezen heeft geacht dat het regel is binnen BdC/BdCA dat een commissaris met meerdere commissariaten binnen een bedrijfstak, slechts één vergoeding ontvangt, heeft het gerecht ter zake een bindende eindbeslissing gegeven. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] deze beslissing bestreden door onder meer te betogen dat BdC en BdCA zelfstandige banken zijn, vallend onder verschillende toezichtsorganen, dat het loon voor het commissariaat van BdC was vastgesteld, voordat BdCA als zelfstandige entiteit was opgericht, en dat nadat [eiser] zijn ontslag had ingediend als commissaris van BdC hem geen loon meer is betaald. Voorts heeft [eiser] betoogd dat alle door BdCA overgelegde schriftelijke verklaringen en notities onbetrouwbaar zijn, omdat deze afkomstig zijn van haar aandeelhouder, dan wel van personen die geen bestuurder zijn van BdC of BdCA, dan wel van commissarissen van BdC, waarvan het bestuur door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten is overgenomen. Ook heeft [eiser] betoogd dat het gerecht ten onrechte de bewijslast ter zake heeft omgekeerd.
[eiser] heeft echter niet gemotiveerd betoogd dat en waarom voormelde eindbeslissing van het gerecht op een evidente feitelijke of juridische misslag van het gerecht dan wel op een niet aan [eiser] toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag berust. Gelet hierop, ziet het gerecht geen grond om terug te komen van de aldus gegeven eindbeslissing.
2.5
Het gerecht is voorts van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in het tegenbewijs van het voorshands bewezen geacht feit dat tussen partijen een vast loon, onafhankelijk van het aantal vervulde commissariaten binnen een bedrijfstak, is overeengekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eiser], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, bij conclusie van repliek in dat verband geen stukken heeft overgelegd. Evenmin heeft hij ter zake een aanbod gedaan tot het doen horen van getuigen. Dit brengt met zich dat vast is komen te staan dat tussen partijen een vast loon is overeengekomen, dat onafhankelijk is van het aantal vervulde commissariaten binnen een bedrijfstak.
Hoogte loon?
2.6 [
eiser] heeft bij conclusie van repliek, onder meer onder verwijzing naar de vergoedingen die commissarissen van een aantal Nederlandse banken ontvangen, betoogd dat en waarom een loon van Afl. 60.000,- per jaar in dit geval een redelijk loon in de zin van artikel 7:405, tweede lid, BW is. Daarmee heeft hij echter de stelling van BdCA dat een loon van ongeveer Afl. 45.000,- is overeengekomen niet gemotiveerd betwist, waartoe hij door het gerecht bij het vonnis van 14 november 2018 in de gelegenheid was gesteld. Hij heeft immers geen stukken overgelegd, waaruit valt af te leiden dat andere commissarissen binnen BdC of BdCA Afl. 60.000,- per jaar ontvingen. Dat klemt temeer nu BdCA onbetwist heeft gesteld dat gedurende de periode dat [eiser] commissaris was voor BdCA en BdC daar slechts één andere commissaris werkzaam was, te weten C.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
3.1
veroordeelt BdCA tot betaling aan [eiser] van bedragen van Afl. 15.913,- bruto en Afl. 22.750,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 mei 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;
3.2
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3
wijst het meer of anders gevorderde af;
3.4
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.