Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2019-05-08
ECLI:NL:OGEAA:2019:257
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,444 tokens
Inleiding
Vonnis van 8 mei 2019 (bij vervroeging)
Behorend bij A.R. no. AUA201700384
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS in de zaak van:
[Eiseres],
wonende in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,
tegen:
[Gedaagde],
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.
1HET PROCESVERLOOP
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
-het verzoekschrift, met producties;
-de conclusie van antwoord, met één productie;
-de conclusie van repliek, met één productie;
-de conclusie van dupliek.
1.2
Vonnis is nader bepaald op heden.
2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
2.1
Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt [eiseres] dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de verdeling vast stelt van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen zoals omschreven in het petitum van het verzoekschrift, kosten rechtens.
2.2 [
gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiseres] verzochte, kosten rechtens. [gedaagde] verzoekt eveneens verlof tot kosteloos procederen.
2.3
Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.
Beoordeling
3.1
Uit de respectieve door partijen overgelegde door de daartoe bevoegde instantie verstrekte bewijzen van onvermogen blijkt dat zij de kosten van deze procedure niet kunnen dragen. Aan ieder van hen zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen.
3.2
Vast staat tussen partijen in elk geval het volgende. Partijen zijn op 24 februari 2009 in Aruba met elkaar gehuwd in de gemeenschap van goederen, en zij hebben gedurende het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden doen opmaken. Bij beschikking van dit Gerecht van 5 januari 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke uitspraak op 10 februari 2015 is ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de gemeenschap) behoren in elk geval de volgende vermogensbestanddelen:
a. de echtelijke woning gelegen in Aruba te Noord [adres] (hierna: de woning);
b. een op de woning rustende hypothecaire lening bij het APFA, waarvan het saldo per 31 januari 2015 Afl. 133.498,29 bedroeg;
c. de zich in de woning bevindende inboedel;
d. de opbrengst ad Afl. 500,-- van een bij partijen genoegzaam bekende door [gedaagde] na het huwelijk van partijen verkochte tot de gemeenschap behorende [merk] [model];
e. mogelijke na 10 februari 2015 uitgekeerde of nog uit te keren belastingrestituties over de jaren 2010 tot en met 2012.
3.3
Nu [eiseres] wenst over te gaan tot verdeling van de gemeenschap en [gedaagde] dat verzoek niet of onvoldoende heeft betwist zal het Gerecht die verdeling vaststellen op de voet van en overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:185 BW.
3.4
De stelling van [eiseres] dat een schuld bij Duvit N.V. ad Afl. 990,70 deel uitmaakt van de gemeenschap mist in het licht van het verweer van [gedaagde] voldoende onderbouwing, en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch is gebleken met name dat die schuld is ontstaan voor of ten tijde van het huwelijk van partijen.
3.5
Anders dan [eiseres] stelt is het Gerecht van oordeel dat de in haar verzoekschrift onder randnummer 3 sub e. vermelde persoonlijke geldlening, krachtens overeenkomst gesloten tussen Island Finance en […] en waarvan het saldo per 27 juli 2015 Afl. 16.400,79 bedroeg, geen deel uitmaakt van de gemeenschap. Wat wel deel uitmaakt van de gemeenschap is de borgstelling van [eiseres] met betrekking tot die geldlening (hierna: de borgstelling). [eiseres] heeft in dat verband onbestreden gesteld dat zij uit hoofde van haar borgstelling vanaf 10 februari 2015 tot en met juli 2015 (6 x 477,-- maandelijks =) Afl. 2.862,-- heeft betaald aan aflossing voor de niet betalende schuldenaar. Dit één en ander brengt mee dat de borgstelling aan [eiseres] zal worden toebedeeld, met dien verstande dat [gedaagde] ten titel van overbedeling van betalingsverplichtingen de helft van hetgeen [eiseres] uit hoofde van haar borgstelling heeft betaald aan Island Finance verschuldigd is aan [eiseres]. Aldus is [gedaagde] (2862,-- : 2 =) Afl. 1.431,-- verschuldigd aan [eiseres], te vermeerderen met de telkens helft van hetgeen [eiseres] na juli 2015 uit hoofde van haar borgstelling heeft betaald aan Island Finance.
3.6
De hiervoor onder d. vermelde verkoopopbrengst zal worden toebedeeld aan [gedaagde]. [gedaagde] is dienaangaande ten titel van overbedeling Afl. 250,-- verschuldigd aan [eiseres].
3.7
De hiervoor onder e. vermelde belastingrestituties moeten bij helfte worden verdeeld tussen partijen.
3.8
Niet in geschil is tussen partijen dat [gedaagde] vanaf 10 februari 2015 alleen in de woning verblijft. [gedaagde] is dienaangaande een gebruiksvergoeding verschuldigd aan [eiseres], op jaarbasis gelijk aan de helft van 5% van de gemiddelde vrije marktwaarde van de woning over de periode van 10 februari 2015 tot heden. Als marktwaarde per 10 februari 2015 neemt het Gerecht in aanmerking het gemiddelde van de door partijen opgevoerde waarden. Aldus wordt ((159.000,-- + 144.000,--) : 2 =) Afl. 151.500,--. De marktwaarde van de woning per heden moet nog worden vastgesteld, al dan niet door middel van een deskundigenbericht (waarover hierna meer).
3.9
Vast staat dat tot de gemeenschap tevens behoort een achter de woning gelegen appartement. [eiseres] stelt in dit verband dat [gedaagde] dit appartement na 10 februari 2015 heeft verhuurd en dat hij uit dien hoofde maandelijks Afl. 600,-- aan huurpenningen heeft geïnd. [gedaagde] heeft erkend dat hij het appartement twee maanden heeft verhuurd tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 400,--. Met die erkenning komt vast te staan dat [gedaagde] Afl. 400,-- verschuldigd is aan [eiseres], zijnde de helft van het door [gedaagde] erkende totaal aan door hem geïnde huurpenningen. [gedaagde] heeft de stelling van [eiseres], dat hij meer dan het door hem erkende totaal aan huurpenningen heeft ontvangen voldoende gemotiveerd bestreden. Het is daarom aan [eiseres] om het meerdere van dat totaal aan door [gedaagde] na 10 februari 2015 geïnde huurpenningen te bewijzen, hetgeen [eiseres] heeft aangeboden.
3.10
Ter zake van met name de verdeling van de woning en de daarop rustende hypothecaire restschuld ziet het Gerecht aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten, ter verkrijging van nadere inlichtingen en/of ter beproeving van een al dan niet gehele minnelijke regeling. Partijen dienen ter comparitie met name kenbaar te maken of over te leggen aan het Gerecht:
-het actuele saldo van de hypothecaire restschuld;
-betalingsbewijzen van aflossingen op die schuld vanaf 10 februari 2015 tot heden;
-de actuele vrije marktwaarde van de woning met het daarbij behorende appartement (hierna: het onroerend goed);
-het antwoord op de vraag of één der partijen dat onroerend goed toebedeeld wenst te krijgen met als gevolg dat de helft van de actuele vrije markt waarde daarvan verschuldigd is aan de ander ten titel van overbedeling, en, zo deze vraag ontkennend wordt beantwoord:
-drie namen van makelaars waarbij het onroerend goed in de verkoop kan worden gezet;
-de duur van de periode waarin de woning onderhands mag worden verkocht, na welke periode ieder der partijen bevoegd is om de woning zonder toestemming van de ander in het openbaar (ter veiling/findishi) te doen verkopen;
-de bodemprijs waartegen de woning verkocht moet worden zo die prijs wordt geboden door een derde.
3.11
Er valt voor partijen veel (tijd)winst te behalen indien zij met zoveel mogelijk overeenstemming met betrekking tot de actuele vrije marktwaarde woning (plus appartement), het actuele saldo van hypothecaire restschuld, de door [gedaagde] te betalen gebruiksvergoeding en de verhuur van het appartement ter zitting verschijnen. Daarmee besparen partijen zich in elk geval de kosten en tijd die gemoeid gaan met een deskundigenrapport ter zake van voormelde waarde en bewijslevering ter zake van voormelde verhuur.
3.12
Partijen dienen in persoon ter zitting te verschijnen, desgewenst samen met gemachtigden. waarop partijen in persoon dienen te verschijnen, desgewenst samen met gemachtigden.
3.13
Als een partij niet verschijnt kan het Gerecht daaraan het gevolg verbinden – ook in het nadeel van die partij – dat het passend acht.
3.14
De partij die zich bij de comparitie op schriftelijke (bewijs)stukken wil beroepen, dient die stukken tijdig (dat wil zeggen uiterlijk op de derde werkdag voor de dag van de zitting) in fotokopie aan zijn wederpartij en aan het Gerecht over te leggen.
3.15
Voor de comparitie wordt in beginsel één uur uitgetrokken. Partijen kunnen hun zaak ter comparitie vijf minuten bepleiten.