Rechtspraak 2017-10-18
ECLI:NL:OGEAA:2017:828
Behorend bij K.G. 1920 van 2017 (AUA201702269) GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiser 2], 3. [Eiser 3], 4. [Eiser 4], 5. [Eiser 5], 6. [Esier 6], 7. [Eiser 7], 8. [Eiser 8], 9. [Eiser 9], 10. [Eiser 10], 11. [Eiser 11], 12. [Eiser 12], 13. [Eiser 13], 14. [Eiser 14], 15. [Eiser 15], 16. [Eiser 16], 17. [Eiser 17], 18. [Eiser 18], eisers 1 tot en met 15 wonende in India, eiseres 16 tot en met 18 wonende in Bangladesh, gemachtigde: advocaat mr. M. Bemer (Oranjestad) en mr. R.J. Wybenga (Rotterdam), tegen: de vennootschap naar buitenlands recht STATE BANK OF INDIA , gevestigd te Singapore, de vennootschap naar buitenlands recht STATE BANK OF INDIA, gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten, de vennootschap naar buitenlands recht BANK OF BARODA, gevestigd te Singapore, gedaagden 1 tot en met 3, gemachtigde: advocaat mr. S. Helder, en de vennootschap naar buitenlands recht ASEAN INTERNATIONAL, gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten, gedaagde 4, gemachtigde: advocaat mr. B.J. Huiskes. Eisers worden hierna aangeduid als “de bemanningsleden”. Gedaagden 1 tot en met 3 in enkelvoud als “de bank” en gedaagde 4 als “Asean”. Een en ander tenzij anders blijkt. 1 DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingediend op 11 september 2017; - akte eiswijziging met producties, - producties van de bank, - producties van Aean, - pleitnota mr. Wybenga, - pleitnota mr. Helder, - pleitnota mr. Huiskes. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017 in aanwezigheid van de hiervoor genoemde gemachtigden. Partijen zelf zijn niet verschenen. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. 1.3 De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Eisers waren bemanningsleden van de onder Panamese vlag varende m/t Amba Havanee, hierna: het schip. 2.2 Bij vonnis in kort geding van dit Gerecht d.d. 17 mei 2017 (KG 2017/826), gewezen bij verstek tussen de bemanningsleden 1 tot en met 13 als eisers en de toenmalige scheepseigenaar Varun Asia Private Limited (hierna: Varun) als gedaagde, is Varun veroordeeld tot betaling van verschuldigde gages tot 31 maart 2017, gages berekend na 31 maart 2017, de kosten van rechtsbijstand, de wettelijke rente en de proceskosten. Tevens is Varun veroordeeld om de bemanningsleden 1 tot en met 13 af te lossen, op verbeurte van een dwangsom van USD 3.000,00 per eiser per dag dat Varun nalatig mocht zijn hieraan gehoor te geven. 2.3 Op 23 mei 2017 hebben de bemanningsleden 1 tot en met 13 het schip op grond van het verstekvonnis in executoriaal beslag genomen. Op 3 juli 2017 heeft Asean conservatoir beslag op het schip gelegd. Op 11 augustus 2017 heeft de bank conservatoir vreemdelingenbeslag op het schip gelegd. Op 15 augustus 2017 hebben de bemanningsleden 14 tot en met 18 conservatoir beslag op het schip gelegd. 2.4 Bij beschikking van dit Gerecht d.d. 16 augustus 2017 (EJ 2017/1473), op verzoek van de bemanningsleden 1 tot en met 13 met als verweerder de niet verschenen Varun, is beslist dat het schip rechtsgeldig is verkocht. De koopsom van USD 4.800.000,00 is op grond van deze beschikking gedeponeerd op de bankrekening van de Stichting Derdengelden van mr. Wybenga (hierna: de Stichting Derdengelden) waarvan het Gerecht heeft vastgesteld dat deze stichting als de bewaarder in de zin van artikel 577 lid 1 Rv geldt. 2.5 Blijkens haar beslagrekest heeft Asean vorderingen op Varun wegens geleverde bunkers in de periode februari 2014 tot en met september 2016. De hoofdsom bedraagt USD 977.176,03. De twee laatste leveranties zijn gefactureerd op 2 april 2016 en 10 september 2016 voor bedragen van respectievelijk USD 144.414,34 en USD 144.431,77. 2.6. Blijkens haar beslagexploot is de vordering van de bank door de beslagrechter voorlopig begroot op USD 117.000.000,00. De bank stelt van Varun een recht van hypotheek op het schip te hebben verkregen. 3 DE VORDERINGEN E 4.8 De Bank en Asean betwisten gezamenlijk dat de vordering van de bemanningsleden vanwege de dwangsommen uit het verstekvonnis bevoorrecht zijn op grond van artikel 8:211 sub b BW. Kort gezegd stellen zij dat dwangsommen niet rechtstreeks voortspruiten uit de arbeidsovereenkomst maar dat zij een prikkel zijn om het vonnis na te komen. Ook wordt de vergelijking getrokken met artikel 611e Rv (dwangsommen kunnen tijdens faillissement niet worden verbeurd). Daarnaast voert Asean nog een inhoudelijk verweer betreffende de hoogte van de verschuldigde dwangsommen. De Bank en Asean concluderen dat de dwangsommen niet bevoorrecht zijn en dat de bemanningsleden dus als concurrente schuldeisers in de rangregeling opkomen. 4.9 De bemanningsleden voeren gemotiveerd het tegenovergestelde aan en concluderen dat de dwangsommen wel degelijk onder artikel 8:211 sub b BW vallen. 4.10 Het Gerecht overweegt het volgende. De vordering betreffende dwangsommen beloopt in totaal ruim USD 1,1 miljoen. Ook op de beoordeling van deze vordering zijn de hiervoor genoemde criteria voor de geldvordering in kort geding toepasselijk. Deze worden als volgt doorgenomen. 4.11 Het Gerecht mist het spoedeisend belang van de bemanningsleden. Niet goed valt in te zien waarom de rangregeling en de eventuele renvooiprocedure niet kunnen worden afgewikkeld. Evenmin is deze vordering in dit kort geding voldoende aannemelijk. De verwijzing van de bemanningsleden naar het arrest van het Hof Den Haag d.d. 14 februari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:241) overtuigt niet. In die zaak ging het immers over schadevergoeding wegens een pensioengat dat onder het voorrecht van de bemanningsleden kon worden gebracht en niet over dwangsommen. De tekst van artikel 8:211 sub b BW noemt dwangsommen ook niet zodat het Gerecht er ook daarom al niet van uit kan gaan dat deze hieronder vallen. Verder geldt dat de dwangsommen zijn opgelegd bij verstekvonnis gewezen tegen Varun. Korte tijd daarna is het schip verkocht zodat Varun geen of minder belang heeft om in verzet te gaan. Door de verkoop speelt Varun geen rol meer bij de verdeling van de verkoopopbrengst zodat de bank en Asean de gelegenheid moeten hebben hun argumenten aan de rechter voor te leggen zodat daarover een oordeel in een procedure op tegenspraak kan worden gegeven, zeker nu het om een zeer groot bedrag gaat. Kortom: dit moet in een renvooiprocedure worden uitgemaakt. Tot slot is duidelijk sprake van een restitutierisico. De bemanningsleden wonen in India en Bangladesh en het zal uiterst moeizaam worden om de betaalde dwangsommen van hen terug te krijgen indien de renvooirechter het standpunt van Asean en de bank zal honoreren. De vorderingen van de bank betreffende de dwangsommen worden dus afgewezen. De toe te wijzen bedragen 4.12 Zoals hiervoor aangehaald moet het Gerecht nog ingaan op enkele specifieke verweren van Asean betreffende posten die volgens haar niet onder het voorrecht van artikel 8:211 sub b BW vallen. Asean stelt dat de omvang van de gages niet goed kan worden vastgesteld omdat nergens uit blijkt op welke datum elk lid van de bemanning van boord is gegaan. Dat verweer wordt door de bemanningsleden weersproken. Zij verwijzen naar de stukken ten behoeve van de procedure die geleid heeft tot het verstekvonnis. Verder verwijzen zij naar de “Breakdown crew claims until and including 23 August 2017” die door hen in het geding is gebracht en waaruit de situatie per bemanningslid op detailniveau blijkt. Het Gerecht overweegt dat hiermee de bemanningsleden dit in algemene bewoordingen gestelde verweer in voldoende mate hebben weerlegd. Het uit dit overzicht blijkende netto salaris (kolommen 3 en 4) mag door de Stichting Derdengelden worden uitbetaald, nu andere verweren door Asean niet worden gevoerd. Hetzelfde geldt voor de rentevordering vermeld in kolom 5, waartegen geen verweer is gevoerd. Wat betreft de kosten van rechtsbijstand (USD 18.000,00 oftewel USD 1.000,00 per eiser) is het Gerecht op voorhand niet van oorde