Rechtspraak Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 2016-08-29
ECLI:NL:OGEAA:2016:534
Bestuursrecht
Uitspraak van 29 augustus 2016 L.A.R. nrs. 1651 en 1796 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [verzoeker], wonende in Aruba, VERZOEKER, gemachtigde: de advocaten mrs. Chris Lejuez en P.A.J. van der Biezen, gericht tegen: in de zaak met nummer: LAR 1651 van 2016: DE PROCUREUR-GENERAAL, zetelende in Aruba, VERWEERDER, hierna te noemen: de PG, gemachtigde: mr. J.W. Klamer (Openbaar Ministerie). en in de zaak met nummer LAR 1796 van 2016: DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE, in Aruba, VERWEERDER, hierna te noemen: de Minister, gemachtigde: J. Harewood (Dimas) Bij beschikking van 9 juni 2016 heeft de PG de uitzetting van verzoeker bevolen, met een terugkeerverbod voor de duur van 8 jaar. Tegen deze beschikking (hierna: het uitzettingsbevel) heeft verzoeker bezwaar gemaakt door indiening van een bezwaarschrift op 8 juli 2016. Op diezelfde datum heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ingediend, dat is geregistreerd onder nummer LAR 1651 van 2016, strekkende tot schorsing van het uitzettingsbevel totdat op het bezwaar van verzoeker in laatste instantie is beslist, met bevel tot onmiddellijke invrijheidsstelling van verzoeker. Bij beschikking van 15 juli 2016 heeft de Minister de aan verzoeker op 29 januari 2013 verleende vergunning tot verblijf, ingetrokken met ingang van 15 maart 2013. Tegen deze beschikking (hierna: de intrekking) heeft verzoeker bezwaar gemaakt door indiening van een bezwaarschrift op 27 juli 2016. Op diezelfde datum heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ingediend, dat is geregistreerd onder nummer LAR 1796 van 2016, strekkende tot schorsing van de intrekking, totdat in laatste instantie op het bezwaar is beslist. Beide verzoekschriften zijn behandeld ter zitting van 8 augustus 2016 2016, alwaar zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.A.J. van der Biezen voornoemd, en de PG en de Minister vertegenwoordigd door mr. Klamer onderscheidenlijk J. Harewood voornoemd. Hierna is uitspraak in beide zaken bepaald op heden. De rechter in dit gerecht: In de zaak met nummer LAR 1651 van 2016: - wijst het verzoek af; in de zaak met nummer LAR 1796 van 2016: - wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier. 2.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 2.2 Voor zover de toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure. 2.3 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoeker is op [datum] 1976 in Colombia geboren en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Aan verzoeker is op 29 september 1998 een eerste vergunning tot tijdelijk verblijf in Aruba verleend. Op 29 januari 2013 is aan verzoeker een vergunning tot verblijf (voor onbepaalde duur) verleend. Blijkens de verklaring van inschrijving van de ambtenaar van het Bevolkingsregister van Aruba staat verzoeker vanaf 17 november 1998 onafgebroken in het bevolkingsregister ingeschreven en wel op de volgende adressen: [adres A] (17 november 1998 tot 6 november 2003), [adres B] (6 november 2003 tot 5 maart 2004), [adres C] (5 maart 2004 tot 8 januari 2007), [adres D] (8 januari 2007 tot 30 juli 2010) en [adres E] (vanaf 30 juli 2010 tot heden). Op 15 maart 2013 is verzoeker aangehouden, waarna hij in voorlopige hechtenis is geplaatst. Bij vonnis van 25 oktober 2013 is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens het meermalen opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder A en onder B van de Landsverordening verdovende middelen. Verzoeker heeft zich in de periode van augustus 2012 en maart 2013 samen met anderen schuldig gemaakt aan het uitvoeren van in totaal ruim 113 kilo cocaïne. Op 15 juli 2016 is verzoeker voorwaardelijk in vrijheid gesteld. 2.4 Aan het uitzettingsbevel is ten grondslag gelegd dat verzoeker niet over een geldige verblijfstitel beschikt om in Aruba te mogen blijven terwijl zijn toelating vereist is, en dat hij in Aruba een strafbaar feit heeft gepleegd en om die reden zijn verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet (langer) wenselijk wordt geacht, en dat er gegronde vrees bestaat dat hij zich aan zijn vertrek zal onttrekken. 2.5 Aan de intrekking is ten grondslag gelegd dat verzoeker bij vonnis van 25 oktober 2013 strafrechtelijk is veroordeeld en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan drie maanden opgelegd heeft gekregen. 2.6 Verzoeker heeft gesteld dat uitvoering van de bestreden beschikkingen onevenredig nadeel voor hem zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering te dienen belang en dat inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op family life in de zin van artikel 8 EVRM. Verzoeker heeft daartoe betoogd dat hij reeds drie jaar voordat hij in 2013 werd aangehouden, als ware gehuwd samenwoonde met mevrouw [naam vrouw] en haar inmiddels 13-jarige zoon, en dat de vrouw en zoon hem elke week in het KIA (gevangenis) hebben bezocht gedurende zijn verblijf aldaar. Volgens verzoeker is er family life tussen hem en de vrouw en haar zoon, en hebben verweerders bij de belangenafweging hier geen rekening mee gehouden. 2.7 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.7.1 Artikel 14, lid 1 en onder sub b van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) bepaalt - voor zover hier van belang - dat de vergunning tot verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, bij een met redenen omklede beslissing kan worden ingetrokken, op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling ter zake van een misdrijf tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer. 2.7.2 Nu verzoeker bij vonnis van 25 oktober 2013 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar onvoorwaardelijk, is de Minister op grond van artikel 14, lid 1 van de Ltu, bevoegd de aan verzoeker verleende vergunning tot verblijf in te trekken. Of aan die intrekking terugwerkende kracht gegeven mocht worden, laat de voorzieningenrechter in het midden, omdat het antwoord op die vraag in deze procedure niet relevant is. 2.7.3 Ingevolge artikel 15, lid 1 onder b van de Ltu kunnen worden uitgezet personen, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht. Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de PG, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar. 2.7.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de PG in dit geval gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de uitzetting van verzoeker te bevelen, nu verzoeker vanaf het moment dat hij voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld, op 15 juli 2016, geen geldige verblijfstitel had terwijl voor hem ingevolge de Ltu toelating is vereist, en hij wegens het plegen van een ernstig misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, waardoor zijn verblijf in Aruba met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid redelijkerwijze als onwenselijk kan worden beschouwd. 2.7.5 Met betrekking tot de op grond van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging bij de intrekking van de verblijfsvergunning en bij het uitzettingsbevel, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid, van het EVRM, is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 2.7.6 De vraag of inmenging als hier aan de orde in een democratische samenleving noodzakelijk is dient te worden onderzocht aan de hand van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geformuleerde ‘guiding principles’ (zie: de arresten van 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland, 18 oktober 2006, Üner t. Nederland en 10 april 2012, Balogun t. Verenigd Koninkrijk). In laatstgenoemd arrest (appl. no.