Rechtspraak 2026-02-23
ECLI:NL:OGAACMB:2026:9
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Uitspraak in de zaak van: [klaagster], wonende te Bonaire, klaagster, gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat, tegen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, hierna: de minister, verweerder, gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het besluit van de minister van 29 april 2025 om klaagster wegens plichtsverzuim met onmiddellijke ingang primair disciplinair te ontslaan en subsidiair ontslag te verlenen wegens functionele ongeschiktheid (het ontslagbesluit). 1.1 De minister heeft een contramemorie met producties ingediend. 1.2 Het bezwaar is op 12 januari 2026 ter zitting behandeld. De behandeling heeft plaatsgevonden via een videoverbinding tussen het Gerechtsgebouw in Curaçao, alwaar de rechter en de griffier aanwezig waren, en het Gerechtsgebouw Bonaire, alwaar partijen aanwezig waren. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door het Gerecht Wettelijk kader 3. Het Gerecht gaat uit van het volgende wettelijk kader: Op grond van artikel 101, tweede lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES (Brkp BES) kan de ambtenaar van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Volgens het derde lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Verder bepaalt het vierde lid van dat artikel dat een strafrechtelijke vervolging wegens een feit dat medeplichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uitsluit. Volgens artikel 102, eerste lid, aanhef en onder i, van het Brkp BES is ontslag één van de disciplinaire straffen die de ambtenaar van politie kan worden opgelegd. Artikel 119, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brkp BES bepaalt dat buiten de gevallen bij dit besluit of bij krachtens enige wettelijke regeling, anders dan het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, bepaald, de ambtenaar van politie kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 4.1 Klaagster is per 1 november 2023 voor de duur van 1 jaar in dienst getreden bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) en aangesteld in de functie van Medewerker Basispolitiezorg (allround). Bij besluit van 23 september 2024 is de aanstelling van klaagster verlengd tot en met 31 december 2024 en is haar functie met ingang van 1 juli 2024 gewijzigd naar Informatie Rechercheur. Bij besluit van 12 december 2024 is de aanstelling van klaagster verlengd tot en met 30 april 2025. In dat besluit is de functie van klaagster aangeduid als Medewerker Basispolitiezorg (allround). Ter zitting is verduidelijkt dat klaagster ten tijde van het ontslag formeel benoemd was in de functie van Medewerker Basispolitiezorg maar feitelijk werkzaam was als informatierechercheur. 4.2 Op 2 maart 2004 heeft klaagster samen met een collega [collega 1] assistentie verleend aan twee andere collega’s, [collega 2] en [collega 3], die een witte personenauto achtervolgden. [collega 1] plaatste het dienstvoertuig, dat hij bestuurde en waarin klaagster bijrijder was, schuin op de weg om de witte auto te blokkeren. De witte auto reed op hoge snelheid links achter langs het dienstvoertuig van klaagster en [collega 1], gevolgd door het dienstvoertuig van [collega 2] en [collega 3]. De witte auto is even later door een ongeluk tot stilstand gekomen waarna de inzittenden door klaagster en haar drie collega’s zijn aangehouden. Eén van de twee aangehouden verdachten die door klaagster en [collega 1] werden vervoer 5.2 De minister heeft beoogd de volgende gedragingen ten grondslag te leggen aan het ontslagbesluit: het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen in strijd met de waarheid; het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van aangifte poging tot doodslag in strijd met de waarheid; het niet ingrijpen toen collega [collega 1] in het dienstvoertuig ongerechtvaardigd geweld toepaste tegen een geboeide verdachte en het nalaten waarheidsgetrouw daarover te rapporteren; het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden. 5.3 Ter onderbouwing van het plichtsverzuim wegens de gedragingen 1 en 2 schrijft de minister het volgende. 5.3.1 In het proces-verbaal van aanhouding, dat is opgemaakt door klaagster op 3 maart 2024 en mede ondertekend door [collega 1], staat: “Wij zagen dat het witte voertuig op het allerlaatste moment ons ontweek door naar links uit te wijken. Doordat het voertuig ons op het allerlaatste moment pas ontweek kregen wij verbalisanten de indruk dat het voertuig ons met opzet had willen aanrijden.” In het proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt door [collega 1] op 4 maart 2024 en mede ondertekend door klaagster staat: “We konden een fatale aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken. Nadat we ons voertuig aan de kant hadden gezet, raasde het witte voertuig langs ons (…). Gezien de hoge snelheid en het gebrek aan reactie van de bestuurder, kregen we de indruk dat de bestuurder ons opzettelijk wilde aanrijden, wat als een poging tot doodslag werd beschouwd.” Klaagster en [collega 1] hebben op 6 maart 2024 elk een aangifte van poging tot doodslag ondertekend. Deze aangiftes zijn opgemaakt door een collega en daarbij is de tekst uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 gebruikt. 5.3.2 De minister baseert zich in zijn besluit op de verklaringen en feiten en omstandigheden uit het strafrechtelijk en disciplinair onderzoek. Omdat de minister ter zitting heeft toegevoegd dat het plichtsverzuim vooral berust op de eigen verklaringen van klaagster, beperkt het Gerecht zich tot de weergave van enkele in het besluit opgenomen citaten uit de verklaringen van klaagster. Klaagster heeft op 11 en 15 april 2024 verklaard dat de zinsnede in het proces-verbaal van 4 maart 2024 “We konden een aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken” niet klopt en dat zij hun dienstvoertuig niet hebben verplaatst. Verder verklaart klaagster op 11 en 15 april 2024: “(…) Ze hebben gewoon, ja eigenlijk de andere weghelft gebruikt om langs ons heen te gaan; (…) Wij hebben ons dienstvoertuig niet verplaatst en zij zijn gewoon langs ons heen gereden. Later is op het bureau bedacht dat we het zo in ons pv moesten zetten omdat dat dan een reden zou zijn voor die andere gasten om te schieten; (…) ze hebben dan bedacht dat [collega 1] en ik aangifte moesten doen om het dan nog zwaarder te maken. Iemand anders van de opsporing heeft voor mij een aangifte op papier gezet en ik moest alleen mijn handtekening eronder zetten. Toen vroegen ze aan mij of ik het nog wilde lezen of het klopte. Ik heb toen gezegd, als jullie dit zo in een pv zetten, dan klopt het niet meer met mijn pv. (…) Dus wat klopt is dat zij met flinke snelheid op ons af kwamen rijden en dat het in eerste instantie leek dat zij niet de intentie hadden om te stoppen. En dat was ook zo, maar zij zijn vlak voor het moment dat zij bij ons waren, op het laatste moment hadden zij uitgeweken en zijn ze langs ons gereden; (…) V: heb jij dit zelf beleefd als een poging tot doodslag? A: neen.” In het verhoor van 16 juli 2024 bevestigt klaagster dat het verplaatsen van het dienstvoertuig zoals [collega 1] heeft geschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 niet is gebeurd. Klaagster verklaart dat zij het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024 nooit had moeten tekenen, omdat de inhoud niet klopte, maar dat zij anders IGO, haar eigen ploeg en BPZ over zich heen zou krijgen. Klaagster verklaart tijdens het disciplinair ond Klaagster betoogt overigens dat zij niet voldoende gelegenheid heeft gehad om zich over het voornemen tot disciplinaire straf van ontslag te verantwoorden, nu zij niet beschikte over het volledige dossier. Daarom heeft de minister zijn besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, aldus klaagster. Hoe oordeelt het Gerecht? 7. Het Gerecht stelt voorop dat voor het kunnen opleggen van de disciplinaire straf van ontslag sprake moet zijn van plichtsverzuim dat toerekenbaar is. Verder mag het ontslag niet onevenredig zijn aan het plichtsverzuim. Het Gerecht zal eerst ingaan op de vraag of klaagster zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Voordat het Gerecht tot dat laatste overgaat zal hij ten overvloede een algemene opmerking maken in verband met de omvang van het ontslagbesluit. Een ontslagbesluit moet duidelijk en begrijpelijk zijn voor een ambtenaar. Gelet daarop dient het bevoegde gezag in een ontslagbesluit kort en bondig te formuleren welk handelen of nalaten aan de ambtenaar wordt verweten met daarbij een beknopte toelichting waarom die gedraging of dat nalaten plichtsverzuim oplevert. Daarmee strookt niet dat een ambtenaar, zoals in deze zaak het geval is, zesentwintig pagina’s moet lezen en daaruit moet zien te begrijpen wat concreet het verwijt/de verwijten zijn en waarom dat plichtsverzuim oplevert. De kort en bondige formulering van het een en ander in de contramemorie in deze zaak heeft meer duidelijkheid gebracht over de concrete verwijten aan klaagster. Echter, dat had dus al bij het besluit dienen te gebeuren. Nu klaagster geen bezwaargronden specifiek hiertegen heeft gericht, kan het Gerecht verder hierover geen oordeel geven. Het Gerecht verstaat echter dat de minister in de toekomst bij het opstellen van ontslagbesluiten hiermee rekening zal houden. Plichtsverzuim 7.1 Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak vereist dat op basis van beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. De bewijslast ligt bij de minister. Gedraging 1: een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen in strijd met de waarheid 7.1.1 Klaagster heeft onder verwijzing naar het strafvonnis waarbij zij is vrijgesproken gesteld dat gedraging 1 niet meer kan dienen als grondslag voor het ontslagbesluit. De minister heeft dit betwist en erop gewezen dat bij de vaststelling van plichtsverzuim andere maatstaven gelden dan in het strafrecht. 7.1.2 In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van Mens (EHRM) is een toetsingskader bepaald voor de reikwijdte van de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in bestuursrechtelijke procedures. Dit toetsingskader wordt door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (RvBAz) toegepast en het Gerecht sluit zich daarbij aan. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet is beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar dat deze zich in voorkomend geval kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met een strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak. Disciplinaire maatregelen wegens gedragingen in verband waarmee ook nog een strafrechtelijke procedure loopt, zijn niet uitgesloten. In de parallelle disciplinaire procedure moet wel de onschuldpresumptie in acht worden genomen. Dit betekent dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter zich bij de beoordeling van het plichtsverzuim strikt moeten beperken tot de vraag of het betreffende handelen of nalaten plichtsverzuim oplevert dat een d Gedraging 2: een ambtsedig proces-verbaal van aangifte in strijd met de waarheid 7.1.6 Hetgeen de minister in het ontslagbesluit over het handelen van klaagster met betrekking tot gedraging 2 heeft vastgesteld, leidt naar het oordeel van het Gerecht wel tot plichtsverzuim. Klaagster heeft een aangifte poging tot doodslag ondertekend, terwijl zij zelf niet vond dat van een poging tot doodslag sprake was. Uit de aangehaalde verklaring van klaagster blijkt dat deze aangifte volgens haar niet klopte met haar eigen waarneming zoals gerelateerd in haar proces-verbaal van aanhouding. Haar handelen had ertoe kunnen leiden dat een onschuldige jongeman wordt veroordeeld voor een ernstig misdrijf. Terecht heeft de minister overwogen dat het nog kwalijker is dat klaagster achteraf de aangifte niet heeft ingetrokken. Ook bij gedraging 2 ligt de kern van het verwijt aan klaagster in het feit dat zij uit angst voor de reacties van collega’s is ‘meegegaan’ in een handelswijze waar zij niet achter stond. Anders dan bij gedraging 1 blijkt deze kern van het verwijt bij gedraging 2 voldoende uit het ontslagbesluit. Hiermee toont klaagster aan dat zij de basiseisen van integriteit en betrouwbaarheid niet respecteert. Het Gerecht is het met de minister eens dat klaagster zich hiermee aan een ernstige vorm van plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Gedraging 3: het niet ingrijpen bij toepassing geweld door collega en nalaten het te rapporteren. en het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden 7.1.7 De minister heeft onvoldoende toegelicht hoe klaagster had kunnen ingrijpen om te voorkomen dat haar collega de geboeide verdachte zou mishandelen. Het Gerecht is het met de minister eens dat klaagster niet integer heeft gehandeld door deze toepassing van geweld niet te rapporteren. Dat de betreffende collega een hogere rang heeft dan klaagster had daarvoor geen beletsel moeten zijn. Ook hier is dus sprake van niet-integer handelen door klaagster dat de minister in redelijkheid als plichtsverzuim heeft mogen aanmerken. Gedraging 4: het delen van gevoelige informatie en videobeelden met derden 7.1.8 Dat laatste geldt ook voor het delen met ene [naam ex-collega] van informatie en beeldmateriaal over lopende onderzoeken. Als politievrouw had klaagster moeten weten dat die beelden uitsluitend bestemd waren voor gebruik binnen het politiekorps te Bonaire. De minister heeft dan ook terecht geoordeeld dat klaagster zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een ernstige integriteitsschending die ook een plichtsverzuim oplevert. Dat deze [naam ex-collega] een ex-collega van klaagster is die zelf ook bij de politie werkzaam is of was in Nederland, maakt dat niet anders. Toerekenbaarheid 7.3 Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend . 7.4 Niet is gesteld of gebleken dat het plichtsverzuim niet aan klaagster kan worden toegerekend. Als politieambtenaar wist of behoorde zij te begrijpen dat deze gedragingen niet verenigbaar zijn met het ambt van politieagent. De keuze om niet-integer te handelen uit angst om uit de toon te vallen bij haar collega’s kan klaagster volledig worden toegerekend. 7.5 Uit het voorgaande volgt dat de minister bevoegd was om klaagster een disciplinaire straf op te leggen. Evenredigheid 7.6 Het Gerecht is van oordeel dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Aan een politieambtenaar mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Het opmaken van processen-verbaal is één van de kerntaken van de politie en aan een proces-verbaal komt bijzondere bewijskracht toe. Het ondertekenen van een