Rechtspraak 2026-02-16
ECLI:NL:OGAACMB:2026:8
Uitspraakdatum: 16 februari 2026 Zaaknummers: SXM202500857-GAZ 15/2025 SXM202401256-GAZ 13/2024 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In de gedingen van: [klager], klager, gemachtigde: mr. J. Deelstra tegen DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN, zetelend te Sint Maarten, verweerder, gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en I.Z. Guardiola. Procesverloop Bij landsbesluit van 21 augustus 2024 met nummer LB-24/577 (hierna: de primaire beschikking) is aan klager bijzondere vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen verleend, beginnend op 14 februari en eindigend op 31 oktober 2024. Klager heeft op 24 oktober 2024 bij het Gerecht een proforma bezwaarschrift (met producties) ingediend tegen de primaire beschikking. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer SXM202401256-GAZ 13/2024. Daarna zijn de gronden van het bezwaar (met producties) aangevuld. Verweerder heeft op 17 april 2025 een contra-memorie (met producties) ingediend. Klager heeft op 24 oktober 2024 tevens een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij landsbesluit van 13 juni 2025 met nummer 25/159 (hierna: de beschikking op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van klager ongegrond verklaard. Klager heeft op 31 juli 2025 bij het Gerecht een proforma bezwaarschrift (met producties) ingediend tegen de beschikking op bezwaar. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer SXM202500857-GAZ 15/2025. Daarna zijn de gronden van het bezwaar (met producties) aangevuld. Verweerder heeft op 27 oktober 2025 een contra- memorie (met producties) ingediend. De mondelinge behandeling van bovengenoemde bezwaren heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 26 januari 2025. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd die een overzicht van de overgelegde producties en op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Hakkens, werkzaam bij de afdeling HR, bijgestaan door de gemachtigden voornoemd, die eveneens op schrift gestelde pleitaantekeningen hebben overgelegd. De gemachtigden hebben de door hen overgelegde pleitaantekeningen ter zitting voorgedragen. De uitspraak is bepaald op vandaag. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1.1. Klager is ambtenaar in vaste dienst van het Land Sint Maarten en bekleedt sinds 1 februari 2021 de functie van Senior Beleidsmedewerker bij de Afdeling Buitenlandse Betrekkingen (hierna: DBB) van het Ministerie van Algemene Zaken. 1.2. Bij brief d.d. 17 januari 2024, ingekomen op 19 januari 2024, gericht aan de toenmalige Minister-President, Secretaris-Generaal en directeur van DBB, heeft klager medegedeeld dat hij door de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties in New York (hierna: PVNY) is geselecteerd voor de tijdelijke functie van Senior Policy Officer voor Future Generations met als startdatum 1 februari 2024. Hij heeft verzocht om betaald verlof (studieverlof) voor de duur van 8 maanden met behoud van zijn rechtspositie. 1.3. Op 22 en 24 januari 2024 heeft klager aanvullende informatie verstrekt, waaronder een functieomschrijving. Hieruit blijkt dat het een voltijdse betrekking betreft voor bepaalde tijd. 1.4. In een e-mail van 26 januari 2024 heeft het Hoofd P&O aan klager medegedeeld dat de bestaande regelgeving geen bepaling lijkt te bevatten die rechtstreeks op de situatie ziet. Daarbij is vermeld dat P&O geneigd is de optie van een studieopdracht te onderzoeken, onder uitdrukkelijk voorbehoud van goedkeuring door het bevoegde gezag. Tevens is aangegeven dat een formeel verzoek door het hoofd van de afdeling moest worden ingediend om het proces te starten. 1.5. Op 8 februari 2024 heeft klager per e-mail gewezen op de naderende startdatum, inmiddels uitgesteld tot 15 februari 2024. Diezelfde dag heeft P&O bericht dat de kwestie was besproken en dat een plan van aanpak was opgesteld, waarbij werd benadrukt dat het proces gaande was en klager op de hoogte zou worden gehouden. 1.6. Op 14 februari 2024 is klage Hij wijst op door hem overgelegde verklaringen van de voormalig Minister-President van 17 februari en 11 september 2025, alsmede een verklaring van de voormalig directeur van DBB van 28 augustus 2025, waarin wordt gesteld dat klager met uitdrukkelijke toestemming van de Minister-President naar New York is afgereisd en daar verbleef, dat klager in deze periode in actieve dienst is gebleven, dat hij werkzaamheden is blijven verrichten voor Sint Maarten en met P&O was afgesproken dat klager hiervoor (deels) betaald zou worden. Ook verwijst klager naar een overgelegde verklaring van het voormalig waarnemend Hoofd DBB van 17 februari 2025. Klager voert aan dat hij tijdens de uitzendperiode werkzaamheden voor Sint Maarten is blijven verrichten, en dat het achteraf aanwijzen van onbetaald verlof in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Klager bestrijdt voorts de drie-maanden-termijn en het ontbreken van een terugkeergarantie, omdat hij hieraan feitelijk niet kon voldoen en hij gedurende de verlofperiode actief in dienst is gebleven. 3.2. Verweerder stelt zich samengevat op het standpunt dat klager op eigen initiatief en zonder volledige openheid van zaken heeft gesolliciteerd naar een voltijdse functie in New York, terwijl hij reeds in voltijdse dienst was bij de overheid van Sint Maarten. Klager is zelf verantwoordelijk voor de ontstane situatie en heeft door eigen toedoen zijn rechtspositie in gevaar gebracht. De door klager overgelegde en achteraf opgestelde verklaringen zijn in strijd met de correspondentie uit 2024 en daarom kan aan de betrouwbaarheid daarvan worden getwijfeld. Verweerder benadrukt dat nimmer een besluit is genomen over betaald verlof, en de primaire beschikking de formalisering betreft van een overeengekomen verlofvorm waarbij klager aantoonbaar betrokken was. Klager heeft volgens verweerder niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij werkzaamheden is blijven verrichten voor Sint Maarten en daarom recht heeft op salaris. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dit evenmin. Daarbij is een voltijdse functie bij de PVNY feitelijk onverenigbaar met de gelijktijdige voortzetting van de ambtelijke werkzaamheden door klager. Al met al bestaat er geen grond om aan te nemen dat klager door verweerder onjuist, onzorgvuldig of onbillijk is behandeld. Wettelijk kader 4.1. Artikel 76, eerste lid, van de Lma bepaalt dat aan de ambtenaar door het bevoegd gezag een studieopdracht naar het buitenland kan worden verstrekt. 4.2. Artikel 30, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden ook zonder behoud van inkomen op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de ambtenaar bij beschikking van het bevoegde gezag kan worden verleend in de gevallen waarin dit gezag oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht. 4.3. Het beleid van verweerder ter zake de toekenning van bijzonder verlof, zoals neergelegd in de bijalge bij LB 14/0270 van 3 september 2014 luidt – voor zover hier van belang – als volgt. Bij het verlenen van onbetaald verlof op grond van artikel 30 van de Regeling zijn de volgende beleidsregels van toepassing: (…) d. Onbetaald kan worden verleend indien de reden van het verzoek is: (…) - het gaan volgen van een studie in het belang van de dienst; (…) f. De oude functie wordt niet beschikbaar gehouden. Bij herstel in actieve dienst zal gezocht worden naar een passende functie. (…) h. Aan de overheidsdienaar worden de volgende verplichtingen opgelegd gedurende de periode van onbetaald verlof: (…) - Uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de termijn schriftelijk contact op te nemen met het hoofd om aan te geven of hij/zij in actieve deinst hersteld wilt worden aan het einde van die periode. i. Het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn gesteld in de beschikking geldt als het Daarbij weegt mee dat de voormalig Minister-President in de relevante e-mailcorrespondentie was meegenomen en op geen enkel moment heeft gereageerd of gecorrigeerd. Klager heeft destijds evenmin melding gemaakt van een expliciete toezegging door de Minister-President. De brief van 8 maart 2024 laat daarbij, anders dan in de latere verklaring door de voormalig directeur van de DBB wordt gesuggereerd, geen ruimte voor een andere uitleg. Het Gerecht kent daarom doorslaggevende betekenis toe aan de schriftelijke stukken uit 2024 en hecht geen bewijskracht aan de achteraf opgestelde verklaringen. 7.4. De conclusie is dat van een ondubbelzinnige, aan het bevoegde gezag toe te rekenen toezegging niet is gebleken. Klager komt dan ook geen geslaagd beroep toe op het vertrouwensbeginsel. Het verlenen van onbetaald verlof met terugwerkende kracht 8.1. Klager voert aan dat het onaanvaardbaar is dat met terugwerkende kracht onbetaald verlof is verleend, terwijl hij in die periode werkzaamheden heeft verricht. Het Gerecht overweegt hierover het volgende. 8.2. Het Gerecht stelt vast dat op het moment van het vertrek van klager geen rechtspositioneel besluit bestond dat de situatie regelde. Daarmee was sprake van een ongereguleerde rechtspositie van klager. Verweerder was gehouden deze situatie alsnog formeel te duiden. De primaire beschikking strekt ertoe de feitelijk ontstane situatie – te weten het afwezig zijn in Sint Maarten en het gedurende langere tijd verrichten van andere werkzaamheden wegens een fulltime externe functie in het buitenland – rechtspositioneel vast te leggen. Het verlenen van onbetaald verlof over een reeds aangevangen periode is in dat kader niet ongeoorloofd, mits daarvoor een toereikende grondslag bestaat. 8.3. Die grondslag kan naar het oordeel van het Gerecht worden gevonden in artikel 30 van de Regeling. Door toepassing te geven aan artikel 30 van de Regeling en vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen te verlenen, heeft verweerder de rechtspositie van klager behouden en een formele grondslag gecreëerd voor zijn afwezigheid. Tegelijkertijd heeft verweerder hiermee het ontbreken van een grond voor bezoldiging tot uitdrukking gebracht. Het Gerecht acht deze keuze niet onredelijk of onevenredig. 8.4. Dat de primaire beschikking ziet op een reeds aangevangen periode, maakt het niet onrechtmatig, nu geen aanspraak op bezoldiging bestond bij gebreke van een besluit tot betaald verlof. Daarbij neemt het Gerecht tevens in aanmerking dat klager wist, althans behoorde te weten, dat geen goedkeuring was verleend en de situatie door zijn eigen vertrek zonder voorafgaande goedkeuring is ontstaan. Van een ontoelaatbare terugwerkende kracht is onder deze omstandigheden geen sprake. Gestelde voortgezette dienstverrichting 9.1. Klager stelt dat hij gedurende zijn verblijf in New York werkzaamheden voor Sint Maarten is blijven verrichten en reeds daarom recht heeft op salaris. 9.2. Het Gerecht volgt hem daarin niet. Incidentele contacten of een beperkte bijdrage aan lopende dossiers kunnen niet worden aangemerkt als het structureel verrichten van de eigen voltijdse functie. Daarbij is van belang dat klager gedurende deze periode een fulltime functie bij de PVNY vervulde, zodat volledige uitoefening van zijn ambtelijke betrekking feitelijk niet mogelijk was. De achteraf opgestelde verklaringen van leidinggevenden over zijn bijdrage aan dossiers doen hieraan niet af. Klager heeft ter zitting wel gesteld dat hij gemiddeld 30 uur per week werkzaamheden voor Sint Maarten verrichtte, maar deze stelling is door verweerder betwist en niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat het bevoegde gezag hem opdracht heeft gegeven om tijdens zijn verblijf bij de PVNY werkzaamheden voor Sint Maarten te verrichten. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake was van dienstverrichting die een zelfstandige aanspraak op bezoldiging rechtvaardigt. Dri