Rechtspraak 2026-04-01
ECLI:NL:OGAACMB:2026:34
ECLI:NL:OGAACMB:2026:34 text/xml public 2026-06-04T10:12:06 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-04-01 SAB202500025 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2026:34 text/html public 2026-06-04T10:11:07 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGAACMB:2026:34 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 01-04-2026 / SAB202500025 Geen aanspraak op beschikbaarheidsvergoeding. De vergoeding is volgens de regeling uitsluitend verschuldigd indien een medewerker formeel is aangewezen voor beschikbaarheidsdiensten en is opgenomen in een beschikbaarheidsschema. Bij het ontbreken van een dergelijke formele aanwijzing kan niet worden vastgesteld dat sprake is van beschikbaarheidsdiensten in de zin van de regeling. Een binnen de organisatie gevolgde praktijk is onvoldoende om zelfstandig een recht op beschikbaarheidsvergoeding te doen ontstaan. Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES Uitspraakdatum: 1 april 2026 Zaaknummer: SAB202500025 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA UITSPRAAK In het geding van: [klaagster], wonende te Saba, klaagster, gemachtigde: mr. G.B. SIMMONS-DE JONG, tegen HET BESTUURSCOLLEGE VAN HET OPENBAAR LICHAAM SABA, verweerder, gemachtigde: mr. S. VAN LINT. Procesverloop Bij beschikking van 25 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder een verzoek van klaagster om toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES (hierna: Rechtspositiebesluit) afgewezen. Klager heeft bij proforma bezwaarschrift (met producties), ingediend ter griffie van het Gerecht op 19 augustus 2025, tegen de bestreden beschikking bezwaar gemaakt. Daarna zijn bij aanvullend bezwaarschrift (met producties) de gronden aangevuld. Verweerder heeft een contramemorie (met producties) ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het gerechtsgebouw te Saba op 28 januari 2026. Klaagster is in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en mr. E. Blaauboer, die per videolink hebben deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Gonzalez (HR adviseur), mr. D. van Groningen (jurist), B. Streppel (eilandsecretaris), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, die eveneens per videolink heeft deelgenomen. Beide partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Uitspraak is (nader) bepaald op heden. Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 1.1. Klaagster is sinds 1 mei 2008 in dienst bij verweerder, aanvankelijk in de functie van Aerodrome Flight Information Service Officer (hierna: AFISO). Met ingang van 14 december 2015 is zij aangesteld in de functie van airport manager van de luchthaven te Saba. 1.2. In de periode van december 2015 tot april 2025 fungeerde klaagster buiten haar reguliere werktijden als aanspreekpunt in verband met medische spoedevacuaties op Saba. In de praktijk werd zij in dat kader telefonisch benaderd door het ziekenhuis, waarna zij – aan de hand van het werkrooster – contact opnam met een luchthavenmedewerker (AFISO) om zich naar de luchthaven te begeven. Indien geen medewerker beschikbaar of bereikbaar was, begaf klaagster zich zelf naar de luchthaven. Daarnaast onderhield zij telefonisch contact met de bij de evacuatie betrokken partijen. Met ingang van april 2025 is deze werkwijze gewijzigd, in die zin dat – behoudens uitzonderingsgevallen – niet langer klaagster, maar de luchthavenmedewerker (AFISO) die op het beschikbaarheidsrooster staat, rechtstreeks door het ziekenhuis wordt benaderd. 1.3. In 2020 heeft verweerder een proefperiode ingesteld waarbij voor luchthavenmedewerkers een beschikbaarheidsvergoeding van USD 1,68 per uur werd ingevoerd. Na afloop v Klaagster stelt dat zij op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit recht heeft op een beschikbaarheidsvergoeding, nu zij gedurende een lange periode structureel buiten werktijd beschikbaar was voor medische evacuaties. Volgens haar was deze beschikbaarheid feitelijk verplicht en vond deze plaats met medeweten en instemming van verweerder. Zij voert aan dat opname in een beschikbaarheidsrooster geen constitutief vereiste is voor het ontstaan van aanspraak op de vergoeding. Voorts stelt zij dat haar coördinerende werkzaamheden niet volledig binnen haar reguliere functie vallen en dat zij feitelijk voortdurend beschikbaar moest zijn. Daarnaast beroept klaagster zich op het vertrouwensbeginsel. In dat verband wijst zij op de in 2024 aan haar verrichte betalingen, de eerdere besluitvorming uit 2020 waarin ook afdelingshoofden werden genoemd, en correspondentie uit 2024 waaruit volgens haar volgt dat het uitblijven van betaling verband hield met de omvang van het bedrag. 3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 25a van het Rechtspositiebesluit geen grondslag biedt voor toekenning van een beschikbaarheidsvergoeding aan klaagster. Daartoe voert verweerder aan dat klaagster nimmer door het bevoegd gezag is verplicht om beschikbaarheidsdiensten te verrichten. De werkwijze waarbij klaagster als eerste aanspreekpunt fungeerde, is volgens verweerder door haarzelf ingericht en was niet noodzakelijk, hetgeen wordt bevestigd door de plotselinge wijziging daarvan in april 2025. Voorts stelt verweerder dat klaagster niet was opgenomen in een beschikbaarheidschema als bedoeld in artikel 37c van het Rechtspositiebesluit, hetgeen een voorwaarde is voor toekenning van de vergoeding. Daarnaast zijn de door klaagster verrichte werkzaamheden beperkt gebleven tot kortdurende coördinatie en behoren deze taken tot haar functie als airport manager. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel stelt verweerder dat geen sprake is van een daartoe strekkende toezegging. De aanvankelijke vermelding dat ook afdelingshoofden in aanmerking zouden komen voor een gratificatie, is nadien verlaten bij het eilandsbesluit van 18 maart 2021. Uit dat besluit en de daaropvolgende uitvoering blijkt evident dat de regeling niet op klaagster van toepassing was. Ten aanzien van de in 2024 verrichte betalingen, voert verweerder aan dat deze ten onrechte – en op basis van onjuiste informatie van klaagster – zijn geschied. Deze betalingen kunnen daarom niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen. Ten slotte betwist verweerder de hoogte van de door klaagster gevorderde bedragen. Wettelijk kader 4.1. Artikel 25a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bepaalt dat aan de ambtenaar die door het bevoegd gezag de verplichting is opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster beschikbaar te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn, wordt, voor zover hij tijdens de beschikbaarheid geen werkzaamheden heeft verricht, een vergoeding toegekend voor elk uur dat hij volgens het beschikbaarheidschema, bedoeld in artikel 37c, tweede lid, beschikbaar is geweest. 4.2. Artikel 37c, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bepaalt voorts dat aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de verplichting kan worden opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster of buiten de voor hem geldende regeling van de werktijden op basis van een daartoe opgesteld beschikbaarheidschema beschikbaar te zijn zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten. Voldoet klaagster aan de voorwaarden voor een beschikbaarheidsvergoeding? 5.1. Het Gerecht dient te beoordelen of klaagster aanspraak heeft op een beschikbaarheidsvergoeding op grond van artikel 25a van het Rechtspositiebesluit. 5.2. Uit artikel 25a juncto artikel 37c van het Rechtspositiebesluit volgt dat een aanspraak op een beschikbaarheidsvergoeding slechts ontstaat indien sprake is van een door het bevoeg