Rechtspraak 2026-03-11
ECLI:NL:OGAACMB:2026:33
Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES Uitspraakdatum: 11 maart 2026 Zaaknummer: EUX202500017 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA UITSPRAAK In het geding van: [klager], wonende te Sint Eustatius, klager, gemachtigden: mrs. J.J. ROGERS en N.R. JOUBERT, tegen DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, verweerder, gemachtigde: mr. T. BREUGOM. Procesverloop Bij beschikking van 2 mei 2024 (hierna: het plaatsingsbesluit) heeft verweerder klager als functievolger per 1 juni 2021 benoemd in de functie van Chef Basispolitiezorg (hierna: BPZ), gewaardeerd in salarisschaal 9. Klager heeft daartegen op 31 mei 2024 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij beschikking op bezwaar van 10 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het plaatsingsbesluit gehandhaafd. Klager heeft bij proforma bezwaarschrift (met productie), ingediend ter griffie van het Gerecht op 14 februari 2025, tegen de bestreden beschikking bezwaar gemaakt. Daarna zijn bij aanvullend bezwaarschrift (met producties) de gronden aangevuld. Verweerder heeft een contramemorie (met producties) ingediend. De mondelinge behandeling heeft, gelijktijdig met de zaak geregistreerd onder nummer SAB202500015, plaatsgevonden in het Gerechtsgebouw te Saba op 28 januari 2026. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Joubert die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgelegd en voorgedragen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die per videolink heeft deelgenomen. Uitspraak is (nader) bepaald op heden. Overwegingen Wat is relevant om te weten in deze zaak? 1.1. Klager was aanvankelijk in dienst van het Korps Politie Nederlandse Antillen en is sinds 10 oktober 2010 werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: KPCN). Met ingang van 1 juli 2018 is hij bij het KPCN benoemd in de functie van Chef BPZ op Sint Eustatius, met een waardering in schaal 9. 1.2. In 2021 is een Inrichtingsplan KPCN vastgesteld. Dit heeft geleid tot een herinrichting van de organisatie en tot het Organisatie- en Formatierapport 2021 (hierna: O&F-rapport), waarin de functies en formatieplaatsen binnen het KPCN zijn vastgesteld. De functie van Chef BPZ is in het O&F-rapport niet aangemerkt als gewijzigde functie. 1.3. In 2020 is, met instemming van het sectoroverleg, voor de functiewaardering gekozen voor aansluiting bij de Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (hierna: LFNP). Bij de actualisatie van het Functieboek KPCN in 2023 is de functie van Chef BPZ gekoppeld aan de LFNP-referentiefunctie Operationeel Expert GGP en gewaardeerd in schaal 9. 1.4. Met het plaatsingsbesluit is uitvoering gegeven aan het O&F-rapport. Daarbij is op basis van de functievergelijking in het rapport vastgesteld dat de functie van klager als Chef BPZ in ongewijzigde of beperkt gewijzigde vorm. Daarom is aan klager de status van functievolger toegekend en is hij met ingang van 1 juni 2021 geplaatst in de functie van Chef BPZ met een functionele schaal 9. 1.5. Klager heeft op 31 mei 2024 op grond van artikel 120 van het Besluit rechtspositie korps politie BES (hierna: Rechtspositiebesluit) bezwaar gemaakt tegen het plaatsingsbesluit bij verweerder. Het bezwaar is voorgelegd aan een adviescommissie, die partijen in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie, het plaatsingsbesluit gehandhaafd. Standpunten van partijen 2.1. Klager voert aan dat de functie van Chef BPZ op Sint Eustatius zwaarder is dan dezelfde functie op Bonaire. Ter onderbouwing verwijst hij naar de vacaturetekst en het verslag van de selectiecommissie uit 2014, alsmede naar de zwaardere wervings- en selectieprocedure die destijds voor hem heeft gegolden. Volgens klager zijn de verantwoordelijkheden en taken op Sint Eustatius uitgebreider en overstijgen deze de in het functieboek beschreven taken op operationeel niveau, omdat zij mede een Het ligt dan ook in de rede dat klager bij het plaatsingsbesluit in dezelfde schaal is geplaatst, nu bij ongewijzigde functies in beginsel ook de functiewaardering en inschaling ongewijzigd blijven. 4.2. Voor zover klager heeft aangevoerd dat zijn werkzaamheden op Sint Eustatius een zwaarder karakter hebben en dat hij daarom in een hogere schaal had moeten worden ingeschaald, overweegt het Gerecht dat deze beroepsgrond in de kern is gericht tegen de inhoud van de functiebeschrijving en de daaraan gekoppelde functiewaardering. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen deze in het kader van het plaatsingsbesluit slechts exceptief worden getoetst. Dat betekent dat slechts aanleiding bestaat voor ingrijpen indien de functiebeschrijving of de daaraan ten grondslag liggende waardering evident onhoudbaar of anderszins onrechtmatig is. 4.3. Klager heeft weliswaar gesteld dat zijn werkzaamheden mede een tactisch en strategisch karakter hebben, maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat de functiebeschrijving of de daaraan ten grondslag liggende functiewaardering evident onhoudbaar of anderszins onrechtmatig is. Voor de beoordeling van het plaatsingsbesluit wordt aangesloten bij de formeel vastgestelde functiebeschrijving. Dat feitelijke werkzaamheden breder of anders worden ingevuld dan in de functiebeschrijving is vastgelegd, betekent op zichzelf nog niet dat sprake is van een andere functie. Beslissend is of de opgedragen werkzaamheden in hoofdzaak passen binnen het kader van de vastgestelde functie. Niet is gebleken dat dit niet het geval is. De door klager gestelde verschillen in organisatorische context of lokale invulling van taken tussen verschillende eilanden vormen in dit verband onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een geheel andere functie. Dat klager op Sint Eustatius bepaalde werkzaamheden breder of anders uitvoert dan de Chef BPZ op Bonaire, is dan ook onvoldoende voor de conclusie dat de formele functiewaardering onhoudbaar is. 4.4. Het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet op goede gronden tot de vastgestelde functiewaardering heeft kunnen komen, noch dat deze waardering een onjuiste maatstaf vormt voor de toekenning van schaal 9 aan de functie van Chef BPZ. Daarbij is van belang dat binnen het functievolgende systeem bij KPCN de concrete functiebeschrijving de inschaling bepaalt en niet de rang van inspecteur. Een hogere schaal kan daarom uitsluitend worden toegekend bij plaatsing in een hoger gewaardeerde functie. Het beroep van klager op inschaling op grond van zijn rang van inspecteur faalt dan ook. 5. Het beroep van klager op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van gelijke gevallen waarin een hogere schaal is toegekend. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Klager heeft geen concrete toezeggingen aannemelijk gemaakt waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat zijn functie in een hogere schaal zou worden gewaardeerd. Voor zover klager heeft gewezen op uitlatingen tijdens de selectieprocedure in 2014, kunnen deze evenmin tot die conclusie leiden, temeer nu ook in die procedure inschaling in schaal 9 het uitgangspunt was. 6.1. Gelet op al het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder klager in het kader van de reorganisatie in redelijkheid als functievolger heeft kunnen plaatsen in de functie van Chef BPZ met een waardering in schaal 9. De door klager aangevoerde gronden geven geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het plaatsingsbesluit ten grondslag liggende functiebeschrijving of functiewaardering evident onrechtmatig is, noch dat verweerder anderszins onzorgvuldig of in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het bezwaar van klager tegen het plaatsingsbesluit slaagt daarom niet. 6.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing Het Gerecht: verklaart het bezwaar ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hamm