Rechtspraak 2026-02-23
ECLI:NL:OGAACMB:2026:18
Uitspraak van 23 februari 2026 Gaza nr. AUA202404558 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar van: [Klager], wonend in Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. A.E.A. Hernandez, gericht tegen: DE MINISTER VAN ONDERWIJS, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ). INLEIDING 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager, ingediend op 23 december 2024, tegen de weigering van verweerder om te beslissen op klagers verzoek van 27 augustus 2024 om de inhoudingen op zijn salaris stop te zetten en het reeds ingehouden bedrag aan hem uit te betalen. 1.2 Verweerder heeft geen contramemorie ingediend noch de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 1.3 Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. 1.4 Partijen zijn hierna in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. Hiervan hebben partijen gebruik gemaakt. OVERWEGINGEN Waar gaat deze zaak over? 2.1 Deze zaak gaat over de vraag of verweerder terecht vanaf mei 2020 de bezoldiging van klager heeft verlaagd tot 80% van het vol inkomen in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid. 2.2 Bij de beantwoording zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 2.2.1 Klager is ambtenaar werkzaam bij de Instituto Pedagogico Arubano (IPA), dat ressorteert onder de Dienst Publieke Scholen (DPS). 2.2.2 Klager was vanaf 13 februari 2012 langdurig arbeidsongeschikt. 2.2.3 Bij brief van 18 mei 2022 heeft de DPS, klager bericht dat zijn inkomen met ingang van 1 mei 2022 aangepast zal worden naar 80% van het vol inkomen, en dat het teveel ontvangen inkomen over de periode van 1 mei 2020 tot 1 mei 2022 wordt teruggevorderd in de vorm van vierentwintig (24) maandelijkse inhoudingen. 2.2.4 Bij brief van 23 mei 2022 heeft de algemeen directeur van de IPA de DPS bericht, dat klager vanaf 2 maart 2019 zijn werkzaamheden volledig (voor 8 uur per dag) heeft hervat. 2.2.5 De bezoldiging van klager is vanaf mei 2022 aangepast tot 80%. De maandelijkse inhoudingen in verband met de terugvordering is nog niet uitgevoerd. 2.2.6 Klager staat op de verzuimstaat vanaf 2 maart 2019 aangemerkt als 0.01% arbeidsongeschikt. 2.2.7 Klager heeft bij brief van 29 augustus 2024 verweerder verzocht om de inhoudingen op zijn bezoldiging stop te zetten, deze terug te draaien en de achterstallige bezoldiging uit te betalen. 2.2.8 Tegen het uitblijven van een beslissing op voornoemd verzoek heeft klager onderhavig bezwaarschrift ingediend. De ontvankelijkheid 3.1 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld, dat klager niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar, omdat het bezwaar te vroeg, namelijk binnen vier maanden na het verzoek, is ingediend. 3.2 Artikel 41, eerste lid van de La bepaalt, zover hier van belang, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken. 3.3 Voor gevallen als de onderhavige ontbreekt een tijdsbepaling, zodat het gerecht dient te bepalen wat als redelijke tijd om een verplichte beslissing te nemen, dient te worden aangemerkt. In dit geval heeft klager in zijn brief van 27 augustus 2022 uitdrukkelijk gesteld dat hij vanaf juni 2022 in een moeilijke financiële situatie is komen te verkeren, vanwege de aanpassing van zijn bezoldiging naar 80%. Hierna heeft hij op 24 december 2022 onderhavig bezwaarschrift ingediend. Het gerecht acht in dit geval een termijn van ruim drie maanden om een beslis