Rechtspraak 2025-07-16
ECLI:NL:OGAACMB:2025:93
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Uitspraak op het bezwaar van: [Klager], wonende te Sint Eustatius, klager, gemachtigde: R.C. Abrahams, tegen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de minister), verweerder, gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat. Procesverloop Klager heeft bij het Gerecht bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 januari 2025 op grond waarvan de minister hem met onmiddellijke ingang heeft ontslagen (het ontslagbesluit). Klager heeft ook een verzoek om een beslissing bij voorraad ingediend bij het Gerecht. De minister heeft een contramemorie en producties ingediend. Klager heeft een aanvulling van het bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is ter zitting van het Gerecht van 29 april 2025 behandeld. De rechter en de griffier waren aanwezig in het Gerechtsgebouw in Curaçao. Klager heeft de zitting bijgewoond via videoverbinding vanuit het Gerechtsgebouw op Sint Eustatius. Zijn gemachtigde was ter zitting aanwezig via videoverbinding vanuit Nederland. Namens de minister is de gemachtigde verschenen via videoverbinding vanuit het Gerechtsgebouw op Bonaire, vergezeld door E. van der Giessen (Hoofd Basispolitiezorg Korps Politie Caribisch Nederland, KPCN). Op de zitting heeft klager het verzoek om een beslissing bij voorraad ingetrokken. Overwegingen wettelijk kader 1.1 Op grond van artikel 102, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit rechtspositie politie BES (Brkp BES) is ontslag een van de disciplinaire straffen die aan de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, kan worden opgelegd. 1.2. Op grond van artikel 119, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brkp BES geldt dat buiten de gevallen bij dit besluit of bij of krachtens enige wettelijke regeling, anders dan het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&g=2025-07-04&z=2025-07-04), bepaald kan de ambtenaar van politie worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. feiten 2.1. Klager is met ingang van 1 oktober 2018 door de minister aangesteld in de functie van agent bij het KPCN. 2.2. Op 6 maart 2024 heeft een politieagente een paar jongens die in het centrum van Kralendijk aan het fietsen waren verzocht om naar haar toe te komen. Dat hebben de jongens niet gedaan en een van hen, een jongen van zestien jaar oud (hierna: de minderjarige), heeft “payaso” (clown) tegen haar gezegd terwijl hij weg fietste. De politieagente vroeg om assistentie. De minderjarige fietste naar een winkel en ging naar binnen. Collega’s van de politieagente gingen naar de winkel en hebben de minderjarige daarbinnen mishandeld en naar buiten gebracht. Op videobeelden van het incident is te zien dat een politieagent vervolgens de minderjarige met kracht op zijn buik tegen een politieauto duwt. Terwijl de minderjarige voorovergebogen op de politieauto ligt met zijn handen op zijn rug en geen verzet biedt heeft de politieagent de minderjarige een paar keer klappen gegeven op of in de buurt van zijn hoofd. Vervolgens heeft ook klager de minderjarige met de platte hand een klap gegeven op zijn achterhoofd waardoor zijn gezicht op de motorkap terechtkwam en hij schreeuwde van pijn. 2.3. Op 15 maart 2024 heeft de minderjarige in verband met het incident van 6 maart 2024 aangifte gedaan van mishandeling. 2.4. Een collega van klager heeft een proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2024 opgemaakt waarin hij heeft vermeld dat hij tijdens een training bij een schietbaan heeft gehoord dat klager over het incident van 6 maart 2024 heeft verklaard dat de minderjarige aangehouden moest worden omdat hij een collega voor clown had uitgescholden en verder: - dat de minderjarige op een fiets reed en in een winkel is gaan schuilen; - dat de minderjarige in de winkel een klap van een collega van klager heeft gekregen; - dat een andere collega van kla Klager heeft vier videobeelden van het incident van 6 maart 2025 kunnen bekijken en enkele nieuwe stukken kunnen lezen in het kader van het lopende disciplinair onderzoek. Daarbij heeft hij verklaard dat hij het hoofd van de minderjarige tegen de motorkap van de politieauto drukte om pijnprikkels te creëren zodat de minderjarige zou meewerken met zijn aanhouding en hij in de boeien kon worden geslagen. 2.13. Tijdens een verantwoordingsgesprek op 26 augustus 2024 heeft klager verklaard dat de minderjarige zijn handen niet wilde geven en dat klager hem in een comfortabele positie wilde zetten, zodat hij kon meewerken. Klager verklaarde: “Ik had zijn hoofd gepakt om op de motorkap te zetten zodat hij zich wat comfortabeler voelde, maar ik dacht weerstand te zullen hebben toen ik zijn hoofd had gepakt. Ik had wat kracht erop gezet en toen was zijn hoofd een beetje hard op de motorkap geslagen. Toen heb ik zijn hand gepakt en heb ik twee keer geschreeuwd geef me je hand.” 2.14. Klager heeft verder in het kader van het disciplinair onderzoek verklaard dat hij in strijd met de geldende regels heeft gehandeld door zelf niet een proces-verbaal op te maken en niet te verifiëren of het door hem toegepaste geweld in een door collega’s opgemaakte proces-verbaal is opgenomen. 2.15. De minister heeft bij brief van 6 november 2024 een voornemen tot ontslag aan klager doen toekomen. 2.16. Bij uitspraak van 7 november 2024 heeft de strafrechter klager in verband met het door hem tijdens het incident van 6 maart 2024 toegepaste geweld veroordeeld voor, voor zover hier van belang, medeplegen van mishandeling, terwijl hij gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. De strafrechter heeft in de uitspraak, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “In dit geval gaat het om een minderjarige jongen die ‘payaso’ had gezegd tegen een collega van verdachte, en vervolgens was weggefietst. Verdachte heeft vervolgens bij de aanhouding samen met zijn collega’s de minderjarige een behoorlijk pak slaag gegeven. Het was op geen enkel moment nodig hem te mishandelen zoals de verdachte, samen met zijn medeverdachten, heeft gedaan. Het Gerecht heeft begrip voor de soms moeilijke situatie waarin de politie op Bonaire moet werken, in een kleine gemeenschap waarin iedereen elkaar kent en het wantrouwen naar de politie soms groot is. Maar het verdachte(n) een ‘lesje leren’ door de verdachte(n) fysiek aan te pakken bij de aanhouding behoort niet tot het takenpakket van de politie. Het toepassen van onnodig geweld is bovendien op geen enkele manier een oplossing om meer gezag of respect te krijgen. Integendeel. Verdachte heeft met zijn optreden het imago van KPCN geschaad. Het vertrouwen in de politie is niet alleen aangetast bij aangever; het handelen van verdachte heeft op het eiland ook in breed maatschappelijk verband het vertrouwen in de politie aangetast.” De strafrechter heeft klager, voor zover hier van belang, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar. 2.17. De minister heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het voornemen om klager te ontslaan en heeft klager op grond van het ontslagbesluit primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 102, eerste lid, onder i, van het Brkp BES. Subsidiair heeft de minister klager eervol ontslagen op grond van artikel 119, eerste lid, en onder f, van het Brkp BES. In het ontslagbesluit staat onder meer het volgende vermeld: “(...) Op basis van al het hierboven genoemde is voor mij voor wat betreft de feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk geworden dat: (...) De heer [X] desondanks de jongeman nog zeker vier keer een hard klap/slag heeft gegeven op zijn hoofd, dan wel ter hoogte daarvan, en u daarbij aanwezig bent geweest; U niets heeft gedaan om het gewelddadige handelen van de heer [X] tegen te gaan of te stoppen; U de jongeman met de platte hand een klap heeft gegeven op zijn acht Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het Gerecht komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel mocht komen dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daartoe overweegt het Gerecht het volgende. 4.2. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van het Gerecht voldoende komen vast te staan dat klager zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Dat plichtsverzuim bestaat uit de volgende gedragingen: Het zonder dat dat nodig was toepassen van geweld tegen een minderjarige; Het, hoewel hij op grond van de Ambtsinstructie daartoe verplicht was, nalaten zijn geweldstoepassing tegen de minderjarige vast te leggen in een proces-verbaal of te melden aan zijn leidinggevende; Het geven van tegenstrijdige/leugenachtige verklaringen tijdens verantwoordingsgesprekken; Op 23 maart 2024 onder invloed van alcohol een aanrijding veroorzaken met de door hem bestuurde auto, daarbij in eerste instantie niet willen meewerken met een blaastest, om vervolgens daarna door te rijden wetende dat dat gelet op het resultaat van de blaastest conform vaste procedure niet was toegestaan; Het nalaten om het incident van 23 maart 2024 te melden aan zijn leidinggevende. 4.3. Uit de videobeelden blijkt dat de minderjarige al werd vastgehouden door een collega van klager zodat het niet nodig was dat klager zijn hoofd zou vasthouden en tegen de motorkap van de politiewagen zou slaan. Klager werd op drie verschillende dagen gehoord door het Bureau Interne Zaken en wat opvalt is dat klager tegenstrijdige althans wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat hij heeft gedaan met de minderjarige en waarom hij zo heeft opgetreden. Hij heeft verklaard dat hij het hoofd van de minderjarige heeft vastgehouden om hem in een comfortabele positie te brengen terwijl hij een andere keer heeft verklaard dat hij pijnprikkels heeft willen veroorzaken zodat de minderjarige zich niet (verder) zou verzetten. Overigens blijkt uit de videobeelden dat van verzet door de minderjarige geen sprake was. 4.4. Dat klager een aanrijding heeft veroorzaakt terwijl hij teveel alcohol in zijn lichaam had, kan een strafbaar feit opleveren en is dus een ernstig feit. Bovendien is klager ook met zijn auto weggereden wetende dat hij met die hoeveelheid alcohol in zijn lichaam niet als bestuurder mocht optreden. Klager heeft verder deze aanrijding niet gemeld aan zijn leidinggevende terwijl van hem had mogen worden verwacht dat hij dat zou doen mede gelet op het feit dat het een mogelijk strafbaar feit betreft. 4.5. De hierboven opgesomde feiten leveren ernstige vormen van plichtsverzuim op. Toerekenbaarheid 5.1. De vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:4155) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is van belang of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. 5.2. Het hierboven genoemde plichtsverzuim is toerekenbaar. Als politieagent wist klager, althans behoorde hij te begrijpen dat deze gedragingen niet verenigbaar zijn met het ambt van politieagent. Klager heeft ook geenszins betwist dat hij bekend was met de op hem rustende verplichting om de toepassing van geweld tegen de minderjarige in een proces-verbaal vast te leggen. Omstandigheden die hem vrijpleiten van die verplichting heeft hij niet genoemd en deze zijn verder ook niet gebleken. Dat klager de keuze heeft gemaakt om tijdens v