Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-03-31
ECLI:NL:OGAACMB:2025:54
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,059 tokens
Inleiding
Uitspraak van 31 maart 2025
Gaza nr. AUA202403383
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klager],
wonende te Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
INLEIDING
1.1
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen de beslissing van verweerder om klager aan te stellen als ambtenaar in tijdelijke dienst in plaats van in vaste dienst, zoals hij heeft verzocht.
1.2
Dictum
1.3
Bij brief van 15 augustus 2024 heeft de minister van Transport, Integriteit, Natuur en Ouderenzaken klager uitgelegd, waarom is besloten klager niet in vaste dient te benoemen. Het gerecht gaat er vanuit dat verweerder deze motivering aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.
1.4
Tegen het bestreden landsbesluit (met de in voornoemde brief gegeven nadere motivering) heeft klager bezwaar gemaakt, door het indienen van een bezwaarschrift op 30 september 2024 bij dit gerecht.
1.5
Verweerder heeft op 15 november 2024 een contramemorie met producties ingediend.
1.6
Klager heeft op 27 januari 2024 een aantal producties ingediend.
1.7
Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2025. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
1.8
De uitspraak is hierna bepaald op heden.
Beoordeling
Wat is de reden van de bestreden beslissing?
2.1
In het bestreden landsbesluit overweegt verweerder het volgende.
De overheid hanteert als beleid, dat een arbeidscontractant bij de overheid, die niet in het bezit is van een wo- of hbo-diploma, en van wie de werkzaamheden positief wordt beoordeeld, na verloop van drie jaar aangesteld kan worden als ambtenaar in vaste dienst. Klager, die niet in het bezit is van een wo- of hbo-diploma, is vanaf 1 augustus 2020 werkzaam als observator bij het Departamento Meteoroligico Aruba op basis van een arbeidsovereenkomst. Klager heeft op 10 februari 2021 de medische keuring met goed gevolg ondergaan en voldoet voor het overige aan de voor de aanstelling als ambtenaar gestelde eisen.
Vervolgens wordt klager aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst.
2.2
Aan de beslissing om klager niet in vaste dienst te benoemen is ten grondslag gelegd, dat klager een hoog ziekteverzuim heeft, nu hij zich in het jaar 2021, 4 keer, in het jaar 2022, drie keer, en in het jaar 2023, 10 keer heeft ziekgemeld. Klager dient eerst een verzuim verbeteringsplan aan te gaan voor de duur van 1 jaar, waarna een voorstel kan worden gedaan, mits er een verbetering is, om hem in vaste dienst te benoemen.
Wat zijn de standpunten van partijen?
3.1
Klager kan zich niet verenigen met de beslissing om hem in tijdelijke dienst te benoemen, en stelt dat er geen sprake is van een buitensporig ziekteverzuim, dat hij zich inderdaad enkele keren heeft ziekgemeld -in verband met de vele overuren die hij draait, vanwege de onderbezetting bij de dienst, en de daarmee gepaard gaande gebrek aan slaap en rust-, dat hij in 2022 respectievelijk 2023, 201 overuren respectievelijk 258 overuren heeft gemaakt, terwijl hij de hem toekomende rustdagen niet heeft gebruikt, en dat het ziekteverzuim ten onrechte wordt gebruikt om hem niet in vaste dienst te benoemen.
Hij verzoekt het gerecht om de bestreden beschikking te vernietigen.
3.2
Verweerder voert aan dat klager vanaf 31 juli 2024, bij het beëindigen van zijn arbeidscontract, in beginsel in aanmerking komt voor een benoeming in vaste dienst, maar dat verweerder heeft besloten klager in tijdelijke dienst te benoemen, vanwege zijn frequent ziekteverzuim. Dit ziekteverzuim levert organisatorische problemen voor de dienst op en de vraag is of iemand met een hoog ziekteverzuim zijn werkzaamheden optimaal kan uitvoeren. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat klager geen nadeel ondervindt aan de benoeming in tijdelijke dienst, nu zijn rechtspositie gelijk is aan die van een ambtenaar in vaste dienst. Verweerder concludeert tot de ongegrondverklaring van het bezwaar.
De relevante feiten en omstandigheden
4.1
Klager was vanaf 1 augustus 2020 op basis van een arbeidscontract in overheidsdienst in de functie van observator bij het DMA. Deze overeenkomst eindigde op 31 juli 2024 van rechtswege.
4.2
Bij brief van 29 januari 2024 heeft klager aan de minister van Transport, Integriteit, Natuur en Ouderenzaken verzocht om hem in vaste pensioengerechtigde dienst te benoemen.
4.3
Bij schrijven van 4 maart 2024 heeft het hoofd van het DMA verzocht om het dienstverband van klager van contractant om te zetten naar vaste dienst.
4.4
Het Departamento di Recurso Humano (DRH) heeft op 12 maart 2024 de betreffende minister geadviseerd om klager nog niet in vaste dienst te benoemen, omdat klager zich in 2023 tien keer arbeidsongeschikt heeft gemeld, hetgeen een zorgelijk aantal is, en met hem een ziekteverzuim verbetertraject te starten. Verder wordt geadviseerd om gelet op de onderbezetting bij het DMA klager in tijdelijke dienst te benoemen.
4.5
Bij de bestreden beschikking is klager met ingang van 1 augustus 2024 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst en is zijn verzoek om benoeming in vaste dienst, afgewezen.
4.6
Bij schrijven van 27 augustus 2024 heeft het hoofd van het DMA zijn bezwaren geuit tegen de beslissing om klager niet in vaste dienst te benoemen. In dit brief schrijft het diensthoofd – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…) Het is al een paar jaar dat DMA te kampen heeft met onderbezetting van het personeel. (…) Vorig jaar 2023, was de heer [klager] onderhevig aan uitputting of anders gezegd was hij “overworked” wat niet raar is daar wij onderbezet zijn en de meeste observatoren veel meer diensten moesten draaien dat normaal. (…) Dit bewijst een graad van uitputting die iemand kan verkrijgen en vervolgens volgt dan de ziektemelding. En als wij beschouwen dat de heer [klager] het hard te verduren had en een soort werkpaard was om het zo te noemen, vind ik toch dat 10 dagen verzuim redelijk is voor iemand die zo hard gewerkt heeft. (…)”.
Wat is de regelgeving?
5.1
Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschiedt aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst. Het tweede lid bepaalt dat aan de aanstelling in vaste dienst in de regel een aanstelling in tijdelijke dienst voorafgaat.
Ingevolge het derde lid kan aanstelling in tijdelijke dienst slechts plaats hebben – voor zover hier van belang- (sub f) voor een proeftijd van niet langer dan één jaar, ten hoogste met nog één jaar te verlengen. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de ambtenaar de proeftijd na twee jaren nog uiterlijk met één jaar worden verlengd.
Volgens de Memorie van Toelichting op dit artikel, kan aanstelling in tijdelijke dienst slechts plaats hebben in de bepaaldelijk aangegeven gevallen. In alle andere gevallen geschiedt de aanstelling in vaste dienst.
5.2
Ingevolge de circulaire van 9 augustus 2017, met kenmerk DRH 915/17, en met onderwerp “Behoud van kaderpersoneel”, hanteert de overheid sinds 1 juli 2017 als beleid dat kaderpersoneelsleden die reeds als arbeidscontractant in een bestaande functie werken en wiens werkzaamheden als positief worden beoordeeld, in vaste dienst worden benoemd. Voor personeel dat een wo- of hbo-diploma heeft kan dit na een (1) jaar gebeuren, terwijl voor andere personeelsleden dit na drie (3) jaar kan gebeuren. Bij het beoordelen of betrokkene in vaste dienst benoemd kan worden, gelden als criteria, dat:
a. a) er sprake moet zijn van een positieve beoordeling van de betrokkene in de functie over een periode van minimaal 6 maanden;
b) er sprake moet zijn van een vastgestelde functie in een goedgekeurde formatie van de dienst;
c) de betrokkene dient te voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden van de Lma (wat betreft het justitieel onderzoek en medische instellingskeuring).
Wat vindt het gerecht?
7.1
In dit geval staat vast, dat klager vanaf 1 augustus 2020 als arbeidscontractant werkzaam is in de functie van observator bij het DMA. Verder staat vast, dat het hoofd van dienst van het DMA het functioneren van klager positief heeft beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil, dat klager voldoet aan alle vereisten om als ambtenaar in vaste dienst te worden aangesteld.
7.2
Verweerder meent dat klager desondanks niet in vaste dienst kan worden benoemd, omdat er sprake zou zijn van frequent c.q. hoog ziekteverzuim.
Het gerecht stelt voorop dat uit de wet noch beleid volgt, dat ziekteverzuim van welke duur dan ook van enige invloed zou kunnen zijn op een aanstelling van een betrokkene als ambtenaar in vaste dienst. Volgens de wet gaat aan een aanstelling in vaste dienst in de regel een aanstelling in tijdelijke dienst vooraf, maar alleen voor de bepaalde in de wet genoemde gevallen, waaronder voor een proefperiode.
Conclusie
8. Het bezwaar is gegrond. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het verzoek om klager in vaste dienst te benoemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het gerecht stelt hiervoor een termijn van twee maanden na heden.
9. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het Landsbesluit van 1 augustus 2024, no.5;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak opnieuw op het verzoek van klager inzake zijn benoeming in vaste dienst te beslissen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken ter zitting van maandag 31 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
na de dag van de uitspraak, als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest;
na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, in de andere gevallen.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.