Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-03-17
ECLI:NL:OGAACMB:2025:45
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,886 tokens
Inleiding
Uitspraak van 17 februari 2025
Gaza nr. AUA202303579
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. D.G. Illes, advocaat,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
INLEIDING
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen het landsbesluit van 7 september 2023 no. 11 (het bestreden landsbesluit), door klaagster ontvangen op 26 september 2023, waarbij verweerder het overplaatsingsverzoek van klaagster heeft afgewezen.
Klaagster heeft op 13 oktober 2023 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Verweerder heeft op 18 juni 2024 een contramemorie met producties ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld op de zitting van 6 januari 2025. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
Wat zijn de relevante feiten?
1. Klaagster is met ingang van 14 juli 2014 werkzaam bij het Departamento di Progreso Laboral (DPL) in de functie van medewerker toelating arbeidsmarkt. Deze functie is op het maximale niveau van schaal 8 gewaardeerd.
1.1.
Vanaf augustus 2018 heeft zij feitelijk gewerkt in de functie adviseur toelating arbeidsmarkt. Deze functie kent een maximale waardering van schaal 11. Zij heeft vervolgens op 29 augustus 2018 een verzoek gedaan om een interne overplaatsing naar deze functie.
1.2.
Bij brieven van 10 september 2018, 26 augustus 2019, 9 juli 2020 en 11 mei 2021 heeft de directeur van het DPL positief geadviseerd op het verzoek van klaagster. Het Departamento di Recuerso Humano (DRH) heeft verweerder in de adviezen 16 juli 2019, 15 april 2021 en 18 juni 2021 echter geadviseerd om het interne overplaatsingsverzoek af te wijzen.
2. Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder conform het advies van het DRH het verzoek van klaagster afgewezen. Wat vinden partijen?
3. Verweerder heeft aan zijn weigering om klaagster over te plaatsen ten grondslag gelegd dat zij in het bezit van een mavo-diploma, terwijl voor de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt bij het DPL een hbo-diploma is vereist. Verder zijn er geen formatieplaatsen meer beschikbaar voor die functie.
4. Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij sinds augustus 2018 feitelijk geplaatst is in de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt, vooruitlopend op de formele vastlegging van deze interne overplaatsing. Voor deze functie is, anders dan in het bestreden landsbesluit is vermeld, geen hbo-diploma, maar een hbo-werk- en denkniveau vereist. Klaagster heeft sinds haar feitelijke plaatsing in de functie haar werkzaamheden naar tevredenheid van haar leidinggevende verricht, en heeft dan ook voldoende aangetoond dat zij over een hbo-werk- en denkniveau beschikt. Verder heeft klaagster betoogd dat er ten tijde van haar feitelijke plaatsing in de functie in 2018, een vacature open was, en dat zij dus op grond van het “first come, first serve” principe in aanmerking komt voor de functie.
Wat vindt het gerecht?
5. Het gerecht stelt voorop dat een ambtenaar geen recht heeft om overgeplaatst te worden wanneer hij dat vraagt. Net als bij elke andere sollicitatieprocedure zal de betrokken ambtenaar geselecteerd moeten worden om de door hem of haar gewenste vacante functie te kunnen vervullen. Hij/zij moet dan ook voldoen aan de voor de functie geldende functievereisten.
6. Op de zitting heeft verweerder erkent dat een hbo-diploma voor de functie adviseur toelating arbeidsmarkt geen vereiste is, maar dat klaagster wel moet beschikken over hbo werk- en denkniveau. Verweerder stelt dat klaagster daarover niet beschikt. Ter onderbouwing daarvan heeft hij bij de pleitnota twee staafdiagrammen gevoegd, waaruit volgens hem blijkt dat de productie van klaagster als intaker en als adviseur achterblijft op die van haar collega’s die wel in deze functie zijn benoemd. Dit bewijst volgens verweerder dat zij niet geschikt is voor de functie.
7. Het gerecht vindt deze motivering niet voldoende om aan te nemen dat klaagster niet over het vereiste werk- en denkniveau beschikt. Niet is in geschil dat klaagster in de periode van augustus 2018 tot oktober 2023, dat wil zeggen vijf jaar lang, feitelijk de werkzaamheden behorende bij de functie van adviseur toelating arbeidsmarkt heeft verricht. Evenmin is in geschil dat de directeur van het DPL tevreden is over het functioneren van klaagster en dat hij achter een bevordering van klaagster staat. Op de zitting heeft klaagster er verder op gewezen dat van de overige vijf adviseurs op haar afdeling er maar één een hbo-diploma heeft. Het is dus mogelijk dat werknemers door werkervaring over het vereiste werk- en denkniveau gaan beschikken. Verweerder heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat de plaatsing van de collega’s niet op fouten berust. Deze collega’s hebben hun plaatsing inderdaad te danken aan hun werkervaring, maar dat gaat voor klaagster niet op, aldus verweerder.
8. Het gerecht kan verweerder hierin niet volgen. Niet valt in te waarom klaagster, die de functie al vijf jaar naar tevredenheid van de directeur vervult, niet net als haar collega’s over het vereiste werk en denkniveau beschikt. De verwijzing op de zitting naar de twee staafdiagrammen zijn daarvoor ontoereikend. Uit die staafdiagrammen zou volgens verweerder blijken dat de productie van klaagster achterblijft op die van haar collega’s. Het gerecht vindt dit zonder verdere toelichting van verweerder echter niet voldoende duidelijk. Uit de overgelegde gegevens blijkt niet dat klaagster ten opzichte van al haar collega’s de laagste productie heeft. Daarbij merkt het gerecht op dat klaagster met ingang van oktober 2023 weer in haar oude functie werkzaam is, zodat niet duidelijk is hoe verweerder aan gegevens over het jaar 2024 komt en wat deze gegevens dan precies over haar functioneren zeggen. Bij het productiecijfer advisering van klaagster over het jaar 2023 staat verder expliciet vermeld dat dit cijfer betrekking heeft op de periode van 1 januari tot 1 oktober 2023, terwijl niet staat vermeld of de productiecijfers van haar collega’s ook betrekking hebben op diezelfde periode of over heel 2023. Voor een vergelijking van gegevens, moet wel vaststaan dat voor iedereen naar dezelfde periode is gekeken. Daargelaten dat de gegeven productiecijfers al op zichzelf de nodige vragen oproepen, valt ook niet zonder meer in te zien wat iemands productie zegt over zijn of haar werk- en denkniveau.
9. Op de zitting heeft verweerder verder gewezen op een langdurige afwezigheid van klaagster vanwege ziekte, maar hij heeft verder niet gezegd welke periode klaagster ziek is geweest en wat dat zegt over haar werk- en denkniveau.
10. Verweerder heeft tot slot gesteld dat de directeur van het DPL vaker mensen plaatst in functies waarvoor zij niet geschikt zijn en dat hij daarop moet worden teruggefloten. Verweerder verwijst naar de uitspraak van 26 februari 2024, ECLI:NL:OGAACMB:2024:14, waarin het gerecht het bezwaar van een ambtenaar in een enigszins vergelijkbare zaak ongegrond heeft geacht.
11. Het gerecht ziet hierin echter geen aanleiding om ook het bezwaar van klaagster ongegrond te vinden. Waar het in deze situatie – anders dan in de situatie aan de orde in de uitspraak – om gaat, is dat verweerder het bestreden landsbesluit niet voldoende heeft gemotiveerd. In dat besluit is immers uitsluitend gesteld dat klaagster geen hbo-opleiding heeft afgerond, terwijl dit conform de functievereisten ook niet hoeft, omdat hbo werk- en denkniveau al voldoende is. Er kleeft dus hoe dan ook een motiveringsgebrek aan het bestreden landsbesluit, omdat daarin niets staat over het werk- en denkniveau van klaagster. Op de zitting heeft verweerder vervolgens wel gesteld dat klaagster niet over het vereiste niveau beschikt, maar niet inzichtelijk gemaakt waarop die aanname dan is gebaseerd. De niet onderbouwde gegevens over haar productie als intaker en adviseur, zijn daarvoor, zoals hiervoor is toegelicht, niet genoeg. De enkele stelling dat de directeur van het DPL vaker mensen plaatst in functies waarvoor zij niet geschikt zijn, is te algemeen om daaraan te conclusie te verbinden dat hij ook in dit geval niet in zijn positieve advies kan worden gevolgd.
12. Er zijn in dit geval een aantal aanwijzingen dat klaagster wél over het vereiste werk- en denkniveau beschikt Zij heeft immers vijf jaar lang de functie waargenomen en in die periode goede beoordelingen gekregen. Dat verweerder het niet eens is met de werkwijze van de directeur kan zo zijn, maar dat neemt niet weg dat klaagster positieve beoordelingen heeft gekregen op haar functioneren. Zonder verdere toelichting kan verweerder daar niet omheen. Het is nu aan verweerder is om toe te lichten waarom klaagster desondanks niet over het vereiste werk- en denkniveau beschikt.
13.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het bestreden landsbesluit van 7 september 2023, no. 11;
- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het interne overplaatsingsverzoek van klaagster, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
Deze beslissing is gegeven door mr W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. M.E.C. Bakker, griffier, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.