Rechtspraak 2025-12-15
ECLI:NL:OGAACMB:2025:118
Uitspraak van 15 december 2025 Gaza nr. AUA202503845 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek om een beslissing bij voorraad in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Verzoeker], wonend in Aruba, VERZOEKER, gemachtigde: de advocaat mr. J.J. Steward, gericht tegen: DE MINISTER, BELAST MET JUSTITIËLE AANGELEGENHEDEN, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters. INLEIDING 1.1 Verweerder heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 (bestreden beschikking) besloten verzoeker, met toepassing van artikel 52 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), tijdelijk met andere ambtelijke werkzaamheden te belasten. 1.2 Hiertegen heeft verzoeker op 19 november 2025 bezwaar gemaakt bij het gerecht. 1.3 In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La. Dit verzoek is eveneens op 19 november 2025 ingediend bij het gerecht. 1.4 Verweerder heeft op 28 november 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 1.5 Het gerecht heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 1 december 2025. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.6 Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag. BEOORDELING 2.1 Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegewezen als redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven en als ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk of noodzakelijk is. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat tot het treffen van een voorziening bij voorraad. Het verzoek wordt dan ook toegewezen. 2.2 Het gerecht legt hierna dit oordeel uit. Het oordeel van het gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Wat is relevant om te weten? 3.1 Verzoeker is ambtenaar en is met ingang van 23 januari 2024 benoemd als directeur van Inmigracion Aruba (IA). 3.2 Bij brief van 25 april 2025 heeft verweerder aan verzoeker verzocht om (i) informatie omtrent het reisgedrag van personen uit het RADEX-systeem, (ii) kopieën van alle bevelschriften van weigering van toelating, en (iii) kopieën van bevelschriften van uitzetting en in bewaringstelling die sinds 1 april 2025 zijn uitgegeven. 3.3 Bij brief van 14 mei 2025 heeft verzoeker – voor zover hier relevant – als volgt daarop gereageerd: “(…) Op het verzoek eerste “bullet”: Om een volledig beeld te geven inzake de opgevraagde informatie, is het aanbevelenswaardig om het verzoek, eventueel, nader te specificeren. Reden hiervoor is dat ons grenssysteem, RADEX, omvangrijke persoonsgegevens omvat, m.a.w. zowel gegevens van niet-toelatingsplichtigen en toelatingsplichtigen, waaronder tevens toeristen. Gelet op de laatste ontwikkelingen m.b.t. regelgeving in het kader van bescherming persoonsgegevens is het van belang, en ook in het kader van een deugdelijke motivering, om nader te specificeren om welke informatie het hier betreft. Hier kan er gedacht worden aan verscheidene informatie, bijvoorbeeld uitdraai RADEX identities alsook “raw” data m.b.t. reisgedrag. Intern wordt maandelijks een dashboard gecreëerd waarbij deelbare informatie omtrent algemene reisbewegingen van reizigers, zonder het privacy recht en regelgevingen in geding te brengen, gedeeld kan worden. Op het verzoek tweede en derde “bullet”: (…) Op dit verzoek zal erop aan gewerkt worden en op korte termijn zal [betrokkene] de verzochte stukken langs elektronische weg ontvangen. Ter afsluiting, richt ik me eerbiedig aan u met de vraag, wat is de reden voor deze bijzondere verzoek, aangezien dat intern bij de IA kunnen en hebben we de gelegenheid om de ruwe verzochte informatie zelf te veredelen en gemakshalve voor te bereiden. (…)” 3.4 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder besloten verzoeker, met Wat staat in de wet? 5.1 Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. 5.2 Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Lma, is de ambtenaar verplicht zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht. Ingevolge het derde lid worden de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de ambtenaar opgedragen door of namens de betrokken minister. Wat vindt het gerecht? 6. Aan verweerder komt de bevoegdheid toe om op grond van artikel 52 van de Lma aan ambtenaren zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden op te dragen. Verweerder heeft bij toepassing van bovengenoemde artikel een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de werkzaamheden. Verweerder dient echter zijn bevoegdheid zorgvuldig en voor het doel waarvoor zij is verleend toe te passen. verbod op détournement de pouvoir 6.1 Verzoeker heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking in strijd is met het verbod op détournement de pouvoir. De aantijgingen aan het adres van verzoeker hebben een strafkarakter. Verweerder had daarom de disciplinaire procedure moeten volgen, aangezien dit voor verzoeker meer waarborgen biedt (zorgvuldig onderzoek, formele tenlastelegging, hoor en wederhoor en een deugdelijke motivering bij strafoplegging). Het willekeurig omleiden van de verweten gedragingen naar de artikel 52 Lma-maatregel is volgens verzoeker in strijd met het genoemde beginsel. 6.2 Het gerecht deelt deze opvatting niet. De beslissing om verzoeker tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen, is gebaseerd op vermeende gedragingen en tekortkomingen in het functioneren van verzoeker als directeur IA, die volgens verweerder hebben geleid tot een vertrouwensbreuk. Verweerder is – zo is ter zitting gesteld – aangevangen met een audit binnen IA (het RADEX-systeem en financiële kwesties), en mede afhankelijk van de uitkomst daarvan zal worden bezien of verzoeker kan terugkeren in zijn functie. Het stond verweerder dan ook in beginsel vrij om te kiezen voor het traject van artikel 52 van de Lma in plaats van de disciplinaire procedure, mits hij zijn bevoegdheid zorgvuldig toepast. Dat (enkele van) de vermeende gedragingen plichtsverzuim zouden kunnen opleveren, betekent niet dat verweerder gehouden is de disciplinaire procedure te volgen. hoor en wederhoor 6.3 Het gerecht heeft ter zitting – uit oogpunt van de voor verweerder te betrachten zorgvuldigheid – de kwestie van hoor en wederhoor aan de orde gesteld. Hoewel artikel 52 van de Lma geen expliciete hoorplicht kent, vloeit uit het zorgvuldigheidsbeginsel voort dat de betrokkene vooraf wordt gehoord over het voornemen hem tijdelijk met andere werkzaamheden te belasten. In dit geval geldt dit temeer nu verweerder verzoeker concrete verwijten maakt over zijn functioneren en zich beroept op een vertrouwensbreuk. 6.4 Verzoeker heeft ter zitting – onweersproken – verklaard dat hij tweemaal op verzoek van verweerder is verschenen: de eerste keer in verband met het vermeende verzuim aan verantwoord leiderschap en ondermijning van ministerieel gezag, de tweede keer wegens vermeend onbevoegd handelen en ongepaste uitlatingen. In beide gevallen werd verzoeker telefonisch benaderd door een assistent van verweerder, met het verzoek zich te melden voor een gesprek, zonder dat vooraf duidelijk werd gemaakt wat het onderwerp daarvan zou zijn. Verzoeker verkeerde in de veronderstelling dat verweerder met hem wilde spreken over beleidszaken en lopende dossiers, en werd pas tijdens de gesprekken geconfronteerd met de werkelijke aanleiding. 6.5 Gelet op deze gang van zaken is het gerecht van oordeel dat verzoeker niet op deugdelijke wijze Volgens verweerder heeft verzoeker daarmee zijn wettelijke bevoegdheid ter discussie gesteld en ten onrechte voorwaarden verbonden aan het verstrekken van informatie die binnen zijn eigen bevoegdheid valt. 6.11 Verzoeker heeft hierover verklaard dat sprake is van een misinterpretatie aan de zijde van verweerder. Hij stelt dat hij enkel heeft verzocht om nadere specificering van de gevraagde informatie, gelet op de aard en de omvang van de gegevens in het RADEX-systeem en de toepasselijke privacywetgeving, zodat hij verweerder beter van dienst kon zijn. 6.12 Het gerecht is van oordeel dat uit de brief van 14 mei 2025 – gelet op de bewoordingen daarvan – op geen enkele wijze blijkt dat verzoeker het ministerieel gezag van verweerder heeft ondermijnd. Verzoeker heeft de informatieverstrekking niet geweigerd, maar enkel gevraagd naar de reden van de aanvraag en om nadere specificering daarvan. Gelet op de aard en omvang van de op te vragen informatie uit het RADEX-systeem (uitgebreide reisgegevens van zowel toelatingsplichtigen als niet-toelatingsplichtigen), acht het gerecht het volkomen begrijpelijk dat hij om opheldering en nadere duiding heeft verzocht. Nergens uit blijkt dat verzoeker verweerders wettelijke bevoegdheid ter discussie heeft gesteld of voorwaarden heeft verbonden aan het verstrekken van informatie die binnen diens bevoegdheid valt. Van ondermijning van verweerders ministerieel gezag is dus geen sprake. Ongepaste uitlatingen 6.13 Niet in geschil is dat verzoeker in een WhatsApp-groepschat met enkele medewerkers van IA heeft bericht dat “ Den e interview bo ta scucha cu Marlin a pidi pa mi ta den e meeting. Anto Minjus ta duna excuse fofo cu tin problema cu email ”, en achter dit bericht een koe- en een poep-emoticon heeft geplaatst. Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij de gebruikte bewoordingen en emoticons betreurt, die in een opwelling zijn geuit binnen een besloten groep collega’s. Hij stelt dat deze uitingen voortkwamen uit frustratie over zijn uitsluiting van een overleg met de vakbond, waarvan de reden volgens hem onjuist werd voorgesteld. De emoticons waren bedoeld om zijn ongeloof daarover te uiten, niet als persoonlijke aanval. Tot slot benadrukt hij dat de chat niet openbaar was. 6.14 Het gerecht stelt voorop dat van een ambtenaar in een leidinggevende functie mag worden verwacht dat hij zich, ook in informele communicatiesettings, professioneel uitlaat. Het gebruik van emoticons, zoals de hierboven genoemde, om een mening te uiten over een uitlating van een ander, is in dat licht bezien weinig professioneel en kan als onhandig worden beschouwd, aangezien deze vorm van communicatie ruimte laat voor misinterpretatie en onvoldoende distantie uitstraalt. Bij de verdere beoordeling acht de rechter echter van doorslaggevend belang dat de reactie van verzoeker in de chat uitsluitend was gericht op de door verweerder gegeven reden voor verzoekers afwezigheid bij het overleg met de vakbond, te weten dat er problemen zouden zijn geweest met de e-mail. Met de gebruikte emoticons heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij deze uitlating als onzinnig beschouwde. Niet is gebleken dat de reactie was gericht tegen verweerder zelf, noch dat deze een beledigend, respectloos of denigrerend karakter had jegens hem. Voorts weegt mee dat de uiting is gedaan binnen een besloten WhatsApp-groep (waaraan deelnamen verzoeker, de beleidsmedewerker/ jurist, twee ICT-medewerkers en de planner/management ondersteuner van IA) en niet in een openbare context. Hoewel het handelen van verzoeker als weinig professioneel kan worden beschouwd en daarmee botst met de norm van goed ambtenaarschap, oordeelt de rechter dat deze gedraging op zichzelf onvoldoende ernstig is om de door verweerder gestelde vertrouwensbreuk te rechtvaardigen. Onbevoegd handelen 6.15 Verzoeker wordt verweten dat hij dispensatiebrieven heeft ondertekend namens de voormalige minister van Justitie en Sociale Zaken, terwijl noch de minister, noch verzoeker daartoe