Rechtspraak 2025-09-19
ECLI:NL:OGAACMB:2025:100
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Uitspraak op het verzoek om een beslissing bij voorraad in de zaak van: [verzoeker], wonende te Bonaire, verzoeker, gemachtigde: mr. Z. Balborda-Isenia, advocaat, tegen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder, hierna: de minister, gemachtigde: mr. F. Alberda. Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek om een beslissing bij voorraad van verzoeker. 1.2 Bij besluit van 22 april 2025 (het bestreden ontslagbesluit), door verzoeker ontvangen op 4 augustus 2025, heeft de minister verzoeker met ingang van 1 juni 2025 op verzoek eervol ontslagen uit zijn ambt. 1.3 Verzoeker heeft op 11 augustus 2025 bezwaar gemaakt daartegen en heeft op diezelfde dag een beslissing bij voorraad verzocht. 1.4 De minister heeft voorafgaand aan de zitting een contramemorie met producties ingediend. 1.5 Ook verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend. 1.6 Het Gerecht heeft het verzoek op 29 augustus 2025 via een directe video- en geluidsverbinding met het Gerecht te Bonaire behandeld. De rechter en de griffier waren aanwezig in het Gerechtsgebouw in Curaçao. Verzoeker is verschenen bij het Gerecht te Bonaire, bijgestaan door zijn advocaat. De minister heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die fysiek aanwezig was bij het Gerecht te Bonaire. Deze werd vergezeld door [A], MT-lid Digitalisering en ICT van de Rijksdienst Caribisch Nederland, die via een directe video- en geluidsverbinding vanuit Nederland aan de zitting heeft deelgenomen. Overwegingen 2.1 Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een beslissing bij voorraad van verzoeker strekkende tot schorsing van het bestreden ontslagbesluit, dan wel doorbetaling van zijn salaris. 2.2 Het Gerecht stelt voorop dat het oordeel van het Gerecht in deze uitspraak een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure. 2.3 Het Gerecht komt tot het oordeel dat er geen aanleiding is om het verzoek toe te wijzen. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht sprake is van een ondubbelzinnige en onmiskenbare wilsuiting van verzoeker om ontslag te nemen en zal het ontslagbesluit in de bodemprocedure standhouden. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Verzoeker is sinds 1 november 2020 aangesteld als ambtenaar en was laatstelijk werkzaam als project/programmamanager bij Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN). 3.2 Verzoeker heeft, na een gesprek met de directeur van ZJCN op 10 maart 2025, per e-mail van 10 maart 2025 aan de directeur van ZJCN, zijn direct leidinggevende mevrouw Ngo en een aantal andere collega’s laten weten dat hij heeft besloten per 1 juni 2025 iets anders te gaan doen en om die reden zijn werkzaamheden bij ZJCN zal beëindigen. In diezelfde e-mail geeft verzoeker aan dat de periode tot 1 juni voornamelijk zal bestaan uit het opnemen van zijn resterende verlofuren en dat de resterende tijd benut zal worden voor documentatie en overdracht van lopende zaken. Tot slot vermeldt verzoeker in deze mail dat de formalisering van zijn uitdiensttreding nog volgt. 3.3 Op 18 maart 2025 heeft mevrouw [A] per e-mail een verlofkaart aan verzoeker toegestuurd, met het verzoek om haar op basis daarvan te laten weten wanneer zijn laatste werkdag zou zijn en op welke dagen hij in de resterende weken zou werken. Daarnaast heeft zij verzoeker gevraagd om, conform hetgeen was afgesproken, aan te geven of hij een afscheid wenst. 3.4 Verzoeker heeft mevrouw [A] vervolgens bij e-mail van 27 maart 2025 bericht dat hij op dinsdag, woensdag en donderdag op kantoor zal zijn om zijn werkzaamheden over te dragen. Verder schrijft hij in deze email dat gelet op zijn resterende vakantiedagen 10 april zijn laatste werkdag zal zijn. 3.5 Op 2 april 2025 heeft verzoeker een gesprek gevoerd met de directeur van ZJCN, gevolgd door een gesprek met mevrouw [A Bij dat besluit is hij met ingang van 1 juni 2025 op eigen verzoek eervol ontslagen. Verzoeker is in de begeleidende mail bericht dat het besteden ontslagbesluit op 23 april 2025 op Insite is geplaatst. 3.13 De laatste uitbetaling aan verzoeker heeft plaatsgevonden eind juni 2025. Heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit? 4. De minister stelt zich op het standpunt dat verzoeker te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden ontslagbesluit. Het Gerecht dient daarom allereerst te beoordelen of het bezwaar tegen het bestreden ontslagbesluit tijdig is ingediend. Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.1 Het Gerecht stelt vast dat het bestreden ontslagbesluit is genomen op 22 april 2025. De bezwaartermijn van dertig dagen is dus op grond van artikel 41, eerste lid, van de War BES 1951 aangevangen op 23 april 2025. Verzoeker heeft zijn bezwaar op 11 augustus 2025 en dus te laat ingediend. Het Gerecht moet vervolgens, gezien artikel 41, derde lid, van de War BES 1951, beoordelen of verzoeker het bezwaar heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop hij van het bestreden ontslagbesluit redelijkerwijs kennis heeft kunnen dragen. Vaststaat dat verzoeker het bestreden ontslagbesluit op 4 augustus 2025 per e-mail heeft ontvangen en zijn bezwaarschrift op 11 augustus 2025 heeft ingediend. Dat is binnen dertig dagen na de dag waarop verzoeker redelijkerwijs van het besluit kennis heeft kunnen nemen. 4.2 Dat het bestreden ontslagbesluit, zoals de minister stelt, al op 23 april 2025 was geplaatst op Insite, maakt dit niet anders. Verzoeker heeft immers onweersproken aangegeven dat hij geen toegang meer had tot Insite en daarom via die weg geen kennis kon nemen van het bestreden ontslagbesluit. 4.3 Volgens de minister kon verzoeker eerder bezwaar maken tegen de verschillende mededelingen en e-mails waarin stond dat zijn aanstelling op 1 juni 2025 zou eindigen, en tegen de stopzetting van zijn salaris. Dit laat echter onverlet dat de minister een ontslagbesluit heeft genomen en dat verzoeker op grond van de War BES 1951 daartegen bezwaar kon maken bij het Gerecht. 4.4 De minister heeft verder verwezen naar een uitspraak van het Gerecht van 6 augustus 2024 (ECLI:NL:OGAACMB:2024:47), waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig opkomen tegen een handeling. Die verwijzing leidt het Gerecht ook niet tot een ander oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar in deze zaak. De zaak waarnaar de minister verwijst is namelijk niet te vergelijken met onderhavige zaak. In die zaak betrof het een tijdelijke aanstelling die van rechtswege op een bepaalde datum is geëindigd, en was er anders dan in deze zaak geen besluit of een beschikking tot beëindiging van de aanstelling genomen waartegen de ambtenaar bezwaar kon maken. 4.5 Het bezwaar van verzoeker is naar voorlopig oordeel van het Gerecht dus tijdig ingediend en ontvankelijk. Is er sprake van een ondubbelzinnige wilsuiting tot ontslag? 5. Verzoeker stelt dat hij geen verzoek tot ontslag heeft ingediend en dat de minister hem om die reden niet op eigen verzoek had mogen ontslaan. Hij is er bij alle correspondentie steeds van uitgegaan dat hij om het ontslag daadwerkelijk te effectueren een schriftelijk verzoek aan het bevoegd gezag moest richten, dat heeft hij nooit gedaan. In de e-mailcorrespondentie heeft hij dit bovendien meerdere keren benadrukt, aldus verzoeker. 6. De minister stelt zich op het standpunt dat hij op grond van het Rechtspositiebesluit BES op verzoek ontslag kan verlenen aan een ambtenaar. Een dergelijk verzoek kent geen vormvereisten, maar er moet wel sprake zijn van een reële en duidelijke intentie om ontslag te verzoeken. Volgens de minister blijkt uit meerdere e-mailwisselingen met verzoeker dat hij de intentie had om beëindiging van zijn dienstverband te verzoeken. Daarnaast wijst de minister op feitelijke handelingen van verzoeker die deze intentie bevestigen, zoals de over