Rechtspraak 2024-09-02
ECLI:NL:OGAACMB:2024:75
Uitspraak van 2 september 2024 Gaza nr. AUA202400757 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd. Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH). Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden. OVERWEGINGEN feiten 1.1 Klager is vanaf 30 december 1992 als ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer in de rang van officier en sedert 2015 in de functie van Hoofd repressie, tevens waarnemend commandant en daarmee mede verantwoordelijk voor de aanschaf, beheer en instandhouding van het materieel. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], commandant, [B], hoofd Preventie, en met [C], hoofd Bedrijfsvoering. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim. 1.2 Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd. 1.3 Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 1.4 Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt. 1.5 Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100404) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer: “(…) 4.4 De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.5 De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Het gerecht ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de rechten van klager op zodanige wijze zijn geschonden dat het bestreden besluit hierom moet worden vernietigd. 4. De noodzaak van nader onderzoek 4.1 Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial. 4.2 Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals over de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen 5.1 Aan klager worden twaalf gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle twaalf verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen: Onregelmatige verkoop van dienstgoederen Onregelmatige aanbesteding Onregelmatige aankoop van epauletten Financieel wanbeheer 6. De onregelmatige v erkoop van dienstgoederen 6.1 Klager wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld. 6.2 Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon is de Stichting vervolgens op zoek gegaan naar een derde die de goederen De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl 3.000.- (HV-01), Afl 1.075.- (AP-02), Afl 3.000.- (CT-13) en Afl 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen. 6.8 Spelregels voor verkoop . Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de goederen niet in het openbaar behoefde te worden verkocht. Daaruit volgt dat door klager in zijn hoedanigheid van Hoofd repressie, en verantwoordelijk voor het instandhouden van het materieel, is meegewerkt aan handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, en artikel 24, eerste en derde lid, van de Cv. 6.9 Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl. 1.000.- en Afl. 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl. 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl. 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(s) bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(s) is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv. 6.10 Het gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening niet alleen de commandant en klagers [C] en [B] aan, maar ook klager als Hoofd repressie, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen. Door in strijd met de geldende regels actief mee te werken aan de verkoop van de goederen van het Land aan de Stichting, een transactie bedacht en uitgevoerd binnen de gelederen van het toenmalige managementteam van de dienst brandweer, heeft ook klager zich terzake schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 6.11 Soortgelijk verwijt heeft verweerder klager gemaakt over de verkoop op 15 november 2017 van een compressor van de dienst voor Afl. 500.- aan personeelslid [E], zonder dat dit goed was afgeschreven, zonder openbare verkoop en zonder toestemming van de minister. Klager heeft hierover aangevoerd dat het om een “afgedankte” compressor zou gaan en dat toenmalig minister [naam] hiervoor mondeling toestemming zou hebben gegeven. Het gerecht stelt op basis van de door [E] op 24 februari 2021 afgelegde verklaring vast dat [E] van [klager] vernam dat de compressor was afgeschreven en intern te koop werd aangeboden, en dat [E] per brief een bod kon richten aan de commandant [A]. [E] heeft vervolgens op 11 juli 2016 de command Het gerecht kan niet aan de hand van de gedingstukken vaststellen dat door klager en of andere leden van de dienstleiding aan [K] andere informatie is verschaft dan aan [O] over de mogelijkheid om in de offerte te verwerken een eventuele korting voor inname van goederen. Dat [K] meer of andere informatie heeft gekregen dan [O] is echter wel aannemelijk. In de email d.d. 11 oktober 2023 van [P] van [O] aan [naam], wordt door [P] bevestigd dat [O] nimmer op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om bij de offerte te betrekken het innemen van goederen. Daaruit blijkt ook dat zij niet op de hoogte was van de door [K] in de offerte opgenomen korting van ongeveer Afl. 150.000.-. Zij ziet in de gang van zaken een bevestiging dat de dienst brandweer [K] stelselmatig heeft bevoordeeld boven [O]. 7.4 Het gerecht stelt vast dat commandant [A] in zijn brief van 14 augustus 2020 ten onrechte want in strijd met de feiten de minister heeft bericht dat alleen [K] een offerte had uitgebracht. Het gerecht kan niet uitsluiten dat [K] is bevoordeeld boven [O] door aan [K] meer of andere informatie te verschaffen dan aan [O]. Aangezien klager en commandant [A] samen een bepalende rol hadden bij het opvragen van de offertes en de voorlichting aan de minister, kan het gerecht evenmin uitsluiten dat klager, als Hoofd repressie verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuw materieel, een rol heeft gespeeld bij mogelijke bevoordeling van [K] ten opzichte van [O]. Dit kan echter op basis van de zich in het dossier bevindende informatie niet met zekerheid worden vastgesteld. In zoverre is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat klager op dit punt een verwijt kan worden gemaakt. 7.5 Het gerecht is van oordeel dat op basis van de gedingstukken wel kan worden vastgesteld dat klager heeft meegewerkt aan een “deal” tussen de dienst brandweer en [K] over de inname van goederen door [K] met een restwaarde van Afl. 154.000., zonder openbare verkoop en dus in strijd met artikel 24, eerste en derde lid, van de Comptabiliteitsverordening. Dit handelen in strijd met de wet levert plichtsverzuim van klager op. 8. Onregelmatige aankoop van epauletten 8.1 Klager wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan de aanbesteding van epauletten van de dienst brandweer aan het bedrijf [F] dat het werk heeft uitbesteed aan het Colombiaanse bedrijf [G], waarvan de echtgenote van klager de commercieel directeur is en waardoor Tromp en zijn echtgenote een financieel voordeel ontvingen. Het verwijt betreft de voorkeursbehandeling van [F], een onregelmatige aanbesteding en het verkeerd informeren van de minister terzake van de aanbesteding. 8.2 Volgens klager is het verwijt volstrekt onjuist. Op Aruba konden twee bedrijven dergelijke epauletten leveren, [H] en [F], waarvan alleen [F] voldeed aan de kwaliteitseisen van de dienst brandweer. Klager had geen kennis van het feit dat [F] vervolgens de epauletten inkocht in Colombia bij een bedrijf waaraan een familielid van zijn echtgenote was verbonden. Op enig moment vernam zijn echtgenote dat de epauletten gereed waren en naar Aruba zouden worden verscheept. Aan haar is gevraagd deze op te halen en af te geven aan [F]. Klager noch zijn echtgenote hebben hier financieel voordeel van genoten. klager kan terzake geen plichtsverzuim worden verweten. 8.3 Het gerecht leidt uit het dossier over de aanbesteding van de epauletten de volgende feiten af. De echtgenote van klager is [naam echtgenote], geboren als [naam echtgenote]. Zij is gelieerd aan [F] op Aruba. De vertegenwoordiger van [G] in Combia is [Y]. [Naam echtgenote] is de zuster van [naam zus] en de tante van [Y]. Op 8 april 2019 brengt het bedrijf [bedrijf T] ook h.o.d.n. [H], aan de Brandweer Aruba een offerte uit voor de aanschaf van o.a. epauletten. Op 10 september 2019 heeft [bedrijf L]., Inc., h.o.d.n. ‘[F]’, aan de Brandweer Aruba ter attentie van D. [C], een offerte uitgebracht voor de aanschaf van epauletten. [N] , werkzaam bij [F], heeft op 30 november 2022 verklaard Gelet op de familierelatie tussen zijn echtgenote en het Colombiaanse bedrijf [G] had klager zich geheel afzijdig moeten houden van de aanbesteding van de epauletten. Hij heeft dat nagelaten. Vanwege zijn positie als Hoofd repressie en zijn verantwoordelijkheid als lid van het managementteam wordt de schending van de regels en het foutief informeren van de minister ook klager aangerekend. Dit levert plichtsverzuim op. 9 . Financieel wanbeheer 9.1 Klager wordt verweten financieel wanbeheer te hebben gepleegd door: 1. aan de heer [naam]niet-gewerkte overuren toe te kennen als compensatie voor het kopen en leveren van dienstgoederen (lamellen); 2. de poederkamer door jarenlang niet gebruik en daarmee een investering van Afl. 500.000.- verloren te laten gaan; 3. zes SCOTT’s van in totaal USD 60.000.- wel te bestellen maar niet te laten leveren en als tegoed aan te merken bij leverancier [K], waarmee een buitencomptabel en niet-transparant krediet is ontstaan; 4. vier nachtkijkers van Afl. 2.800.- kwijt te raken. 9.2 Klager heeft aangevoerd dat verwijten hem dubbel worden aangerekend, ieder afzonderlijk en ook nog eens onder de noemer financieel wanbeheer, hetgeen opmerkelijk is. Wat betreft de nachtkijker(s) kan klager geen verwijt worden gemaakt indien die niet op de werkplek aanwezig zijn. Als gevolg van de pandemie heeft de leverancier de nachtkijker(s) tijdelijk niet kunnen leveren. De leverancier zou inmiddels contact hebben opgenomen met de dienst brandweer om de nachtkijker(s) alsnog te leveren. 9.3 De lamellen. Uit de verklaringen van [naam] van 15 januari 2021 en 28 oktober 2021 en de verklaringen van [W] van 18 januari 2021 en 4 februari 2021 volgt dat klager in september/oktober 2020 opdracht heeft gegeven aan [W] om aan [naam] overuren toe te kennen. Het betreft de betaling van overuren voor niet gewerkte uren, bedoeld als compensatie voor door [naam] op 30 september 2020 op persoonlijke titel aangekochte goederen bij het bedrijf [bedrijfsnaam] te weten lamellen voor het onderwijslokaal. Daarmee was een bedrag gemoeid van ongeveer Afl. 1.000.-. Het gerecht heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van genoemde verklaringen. Bovendien komen die verklaringen, die onderling consistent zijn, aannemelijker en geloofwaardiger voor, dan het betoog van klager dat [naam] zelf zou hebben voorgesteld om hem te compenseren in de vorm van overuren. Door de opdracht te geven aan [naam] overwerk toe te kennen zonder dat daar feitelijk verricht overwerk tegenover stond, heeft klager zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 9.4 De SCOTT’s. In 2016 is besloten om een nieuwe crash-truck aan te schaffen, waarmee een bedrag was gemoeid van ongeveer Afl. 2.5 mln. Na vergelijking van offertes is gekozen voor een [bedrijf R] die geleverd werd via het bedrijf [K] waarvan de heer [naam] de directeur was. De truck zou worden uitgerust met verschillende apparatuur, o.a. zes stuks SCOTT ademlucht-apparatuur. Voor de truck en de ademlucht-apparatuur is door het Land Aruba betaald. Uit de brief van [naam] van 30 juni 2021 en diens mailbericht aan [naam] van 5 december 2023 volgt dat de dienst brandweer reeds doende was met vervanging van de SCBA-apparatuur (‘self-contained breathing apparatus’) en dat was afgesproken zes SCOTT’s onderdeel te laten uitmaken van de levering van de nieuwe CT-13 truck. Op verzoek van de dienstleiding is echter afgezien van levering van de zes SCOTT’s. Tussen [K] en de dienstleiding is afgesproken het beschikbare budget te gebruiken voor de aankoop van truck-onderdelen. Volgens [naam] is ten onrechte op deze wijze krediet verleend, omdat [K] niet werkt met kredietfacturen. Volgens [naam] is hij de dienst brandweer nog ongeveer Afl. 28.000.- schuldig. Volgens verweerder was met de aanschaf van de zes SCOTT’s een bedrag van USD 60.000.- gemoeid. Het gerecht is van oordeel dat wat er zij van de hoogte van het tegoed, klager als onderdeel van de dienstleiding en verantwoordelijke voor de aankoop van materieel een han Het strafrechtelijk onderzoek is daar mede debet aan. Na het verantwoordingsgesprek op 20 januari 2023 heeft (nader) onderzoek plaatsgevonden, waarna het bestreden besluit op 1 februari 2024 is genomen. 11.2 In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen. 12. Conclusie 12.1 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen: Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak; In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij: De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken J.G. Emanstraat 51 Oranjestad Aruba U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: 1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de datum van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. Bijlage: het wettelijk kader De Landsverordening materieel ambtenarenrecht Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden.
Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden