Rechtspraak 2024-09-02
ECLI:NL:OGAACMB:2024:74
Uitspraak van 2 september 2024 Gaza nr. AUA202400756 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd. Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH). Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden. OVERWEGINGEN feiten 1.1 Klager is vanaf 1 november 1997 als ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer en vanaf augustus 2010 in de functie van commandant. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], hoofd Repressie, met [B], hoofd Preventie, en met [C], hoofd Bedrijfsvoering. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim. 1.2 Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd. 1.3 Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 1.4 Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt. 1.5 Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100402) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer: “(…) 4.4 De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.5 De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Verweerder heeft verder te kennen gegeven dat de disciplinaire procedure met de meeste voortvarendheid zal worden doorlopen en dat klage De noodzaak van nader onderzoek 4.1 Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial. 4.2 Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals over de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen 5.1 Aan klager worden vijftien gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle vijftien verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen: Ten onrechte declareren van overuren Gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming Onregelmatige verkoop van dienstgoederen Onregelmatige aankoop van epauletten Onregelmatige aanbesteding Omgang met vuurwapens 6. Ten onrechte declareren van overuren 6.1 Klager [C] wordt verweten structureel en overmatig overwerk te hebben gedeclareerd, ook tijdens ziekte, verlof en ATV-dagen, zonder te hebben overgewerkt en zonder hiervoor vooraf toestemming te vragen aan zijn commandant en zonder voorafgaande goedkeuring van de minister. Klager wordt als commandant verweten aan het gedrag van [C] te hebben meegewerkt, althans dit te hebben gedoogd door klager toe te staan zelf overuren te declareren, diens opgaven niet op juistheid te controleren en zonder goedkeuring te vragen aan de minister. Hierdoor is het Land financieel benadeeld, aldus verweerder. 6.2 Klager heeft naar voren gebracht dat hij niet beschikt over de documentatie die verweerder heeft gebruikt om op dit punt tot de conclusie van plichtsverzuim te komen. Hij is daardoor niet in staat geweest zich deugdelijk te verweren. 6.3 Dit betoog van klager faalt. Daarbij is van belang dat klager aan [C] heeft toegestaan zelf zijn overwerkuren in te vullen. De uitbetaalde bedragen aan overwerk zijn ook te vinden op de salarisstroken van [C], waarover klager beschikt of kon beschikken. Bij de door verweerder overgelegde stukken (productie 8, bijlage 13 en 14) bevinden zich die salarisstroken van [C] over de maanden oktober 2018 tot en met september 2020. Verder bevinden zich bij de stukken overzichten van het door [C] gedeclareerd overwerk over de maanden: augustus 2019, september 2019, november 2019, 16 februari tot en met 15 maart 2020, maart/april 2020, 16 mei tot en met 15 juni 2020, 16 juni tot en met 15 juli 2020 en 15 juli tot en m Niet is gebleken dat het overwerk aan [C] is opgedragen door het diensthoofd, zijnde klager, en evenmin dat het vooraf werd gepland en ingeroosterd. Klager liet het aan [C] over om al dan niet overwerk te declareren en hield geen toezicht, niet vooraf en ook niet achteraf, op de omvang van het door [C] gedeclareerde overwerk. Als klager door derden werd gewezen op het grote aantal overwerkuren van [C] dan leidde dat niet tot enige controle door klager. Klager tekende de lijsten dan af zonder navraag te doen naar de juistheid van de gepretendeerde overuren. Verder is niet gebleken dat door klager voor het overwerk van [C] goedkeuring aan de minister is gevraagd of verkregen, niet vooraf en ook niet achteraf. Hierdoor hebben zowel klager als [C] gehandeld in strijd met de geldende regels voor het declareren van overwerk. Daarmee is tevens gehandeld in strijd met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Door deze handelwijze heeft [C] zich persoonlijk verrijkt ten koste van het Land. Klager heeft hier aan meegewerkt, zo niet actief dan wel passief door [C] zijn gang te laten gaan, het gedeclareerde overwerk niet te controleren en de onrechtmatige handelwijze te gedogen. Dit nalatig handelen van klager heeft het Land aanzienlijke financiële schade berokkend, door verweerder begroot op ongeveer Afl. 92.847.-. Dit rechtvaardigt de conclusie dat ook klager in zijn functie van diensthoofd zich terzake schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. 7. Gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming 7.1 Klager wordt verweten dat hij het verzoek van de minister om de nevenactiviteiten van het personeel van de dienst brandweer te inventariseren heeft genegeerd, heeft verzuimd voor de hem bekende nevenactiviteiten van leden van zijn managementteam goedkeuring te vragen aan de minister, en voor de dienst gebruik heeft gemaakt van diensten van een bedrijf van een collega door voor het kerstfeest 2016 gebruik te maken van het cateringbedrijf ([cateringsbedrijf) van klager [C]. 7.2 Klager heeft hiertegenover gesteld het verwijt ten aanzien van de nevenactiviteiten van collega’s misplaatst te vinden. De Stichting Brandweet Korps Aruba, waarvan twee leden van het managementteam bestuurslid zijn, is opgericht met medeweten van de overheid en ter bevordering van de belangen van de ambtenaren werkzaam bij de Dienst Brandweer. Wat betreft het gebruik van het cateringbedrijf van klager [C] stelt klager dat [C] beschikte over de schriftelijke toestemming van de minister. 7.3 In 1992 is opgericht de Stichting Brandweer Korps Aruba, met als doelstelling de bevordering en uitvoering van sociale programma’s voor de brandweergemeenschap, de ontwikkeling van plannen voor sociale bijstand ten behoeve van het korps en hun familieleden en het bevorderen van scholingsactiviteiten ter verbetering van het brandweerkorps. Klager [C] is sedert medio 2016 bestuurslid van de stichting, waarvan klager [B] de voorzitter is. Het gerecht is van oordeel dat ook als “de overheid” weet had van de oprichting van de stichting in 1992 en haar doelstelling en activiteiten, dit genoemde bestuursleden niet ontslaat van de verplichting voorgenomen nevenactiviteiten te melden en daarvoor toestemming te vragen en te verkrijgen. Niet is gebleken dat [C] en [B] voor hun rol als bestuurslid tevens penningmeester respectievelijk voorzitter van de stichting toestemming hebben gevraagd aan of verkregen van de minister. 7.4 Het gerecht is van oordeel dat [C] en [B] voor hun nevenfunctie bij de Stichting wel toestemming hadden dienen te vragen. Het begrip ‘nevenbetrekking’ en ‘nevenwerkzaamheden’ als bedoeld in artikel 55 Lma en artikel 1 van het Landsbesluit nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden dient ruim te worden uitgelegd. De ratio van de meldplicht voorafgaand aan de activiteit is dat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld te beoordelen of de voorgenomen nevenactiviteit verenigbaar is met de hoofdfunctie. Het gerecht wil aannemen dat indien [C] en [B] vooraf toeste de hydro tester, de CT-13 bouwjaar 1990, AS-03, bouwjaar 1991) op 27 maart 2019 ter verkoop heeft aangeboden, dat de Stichting Brandweer Korps Aruba een door klager [B] opgestelde en ondertekende maar niet gedateerde offerte heeft ingeleverd bij de dienst om het betreffende goed aan te schaffen voor de symbolische prijs van AWG 25.-., dat de dienst daarmee akkoord is gegaan en heeft verzocht na overboeking van het aankoopbedrag op een bankrekening van de Centrale Dienst Brandweer het goed op te halen bij post tango in kamer #50. Uit soortgelijke ‘processen-verbaal’, eveneens ongedateerd, en opgesteld door klager als commandant zou moeten blijken dat de dienst brandweer reeds in februari 2016 respectievelijk op 27 december 2016 de hydro-tester in de openbare verkoop heeft aangeboden, dat [bedrijf M] hiervoor een ‘offerte’ heeft gedaan voor AWG 2.500.-, en dat de dienst akkoord is gegaan met dat aanbod. De Stichting heeft het aankoopbedrag voor de hydro-tester, de CT-13 en de As-3 op 26 april 2019 gestort op de rekening van de dienst brandweer. 8.5 Verkoop door de Stichting . Volgens de verklaring van [E], is de truck (HV-01) op het terrein van de luchthaven aan hem getoond in het bijzijn van klager [A] en heeft hij het koopbedrag van Afl. 1.500.- ter plaatse contant afgerekend met klager [C]. De overige voertuigen zijn door de Stichting verkocht voor Afl. 2.400.- (CT-13 inclusief AP-02 en AS-03). De hydro-tester is door de Stichting aan [persoon van bedrijf] in 2019 uiteindelijk verkocht voor Afl. 1.500.-. 8.6 Toestemming voor de verkoop . In zijn brief van 22 september 2020 gericht aan de commandant van de dienst brandweer, destijds klager, heeft toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] gevraagd om opheldering over het feit dat de HV-01, AP-02, CT-13 en AS-03 niet meer aanwezig zijn bij de dienst brandweer. In zijn reactie van 23 september 2020 gericht aan de minister maakt klager wel melding van de verkregen toestemming van minister [naam] om voertuig TW-02 te schenken aan de BASA. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van toestemming wat betreft eergenoemde vier voertuigen. Niet is gebleken dat de minister daarvoor op een ander moment toestemming heeft gegeven. Dit wordt bevestigd in het mailbericht van 12 november 2021 van voormalig minister [naam] waarin hij aangeeft niet op de hoogte te zijn geweest van de verkooppraktijken en daarmee pas bekend te zijn geworden toen de vakbond hem daarop had gewezen. De minister ontkent in dit bericht (mondelinge) toestemming te hebben gegeven voor de verkoop van ‘afgeschreven’ dienstgoederen. Het gerecht acht de feiten voldoende duidelijk en de verklaring van de minister geloofwaardig en ziet geen aanleiding in te gaan op het verzoek van (o.a.) klager om hierover de voormalig minister en een aantal andere personen als getuige te horen. 8.7 De waarde van de goederen . De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl. 3.000.- (HV-01), Afl. 1.075.- (AP-02), Afl. 3.000.- (CT-13) en Afl. 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen. 8.8 Spelregels voor verkoop . Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de Onregelmatige aankoop van epauletten 9.1 Klager wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan de aanbesteding van epauletten van de dienst brandweer aan het bedrijf [F] dat het werk heeft uitbesteed aan het [G], waarvan de echtgenote van klager [A] de commercieel directeur is en waardoor [A] en zijn echtgenote een financieel voordeel ontvingen. Het verwijt betreft de voorkeursbehandeling van [F], een onregelmatige aanbesteding en – wat betreft klager met name - het verkeerd informeren van de minister terzake van de aanbesteding. 9.2 Volgens klager is het verwijt volstrekt onjuist. Op Aruba konden twee bedrijven dergelijke epauletten leveren, [H] en [F], waarvan alleen [F] voldeed aan de kwaliteitseisen van de dienst brandweer. Klager had geen kennis van het feit dat [F] vervolgens de epauletten inkocht in Colombia bij een bedrijf waaraan een familielid van klager [A] gelieerd was. Aan klager kan daarom terzake niets worden verweten. 9.3 Het gerecht leidt uit het dossier over de aanbesteding van de epauletten de volgende feiten af. De echtgenote van klager [A] is [echtgenote A]], geboren als [M]. Zij is gelieerd aan [F] op Aruba. De vertegenwoordiger van [G] in Combia is [Y] . [Echtgenote A is de zuster van [L] en de tante van [Y].Op 8 april 2019 brengt het bedrijf [I], aan de Brandweer Aruba een offerte uit voor de aanschaf van o.a. epauletten. Op 10 september 2019 heeft [L], h.o.d.n. [F]’, aan de Brandweer Aruba ter attentie van [C], een offerte uitgebracht voor de aanschaf van epauletten. [N], werkzaam bij [F], heeft op 30 november 2022 verklaard dat hij in augustus-september 2019 is benaderd door klager [A] om voor de dienst brandweer epauletten te bestellen bij een bedrijf in Colombia, waarvan de echtgenote van klager [A] de contactpersoon was. Volgens de verklaring van [N] heeft [A] hem gevraagd de aanschaf rechtstreeks te regelen met zijn echtgenote. In oktober 2019 is [N] gebeld door [A] met de mededeling dat zijn vrouw de epauletten zou afleveren bij [F]. [N] heeft de epauletten in ontvangst genomen en contact opgenomen met klager [C] om de epauletten bij [F] te komen ophalen. Met de bestelling was een bedrag gemoeid van USD 12.350.-. [N] heeft over de bestelling contact gehad met [Y], werkzaam bij of voor [G] te Medellín, Colombia. Bij schrijven 22 juli 2020 van klager aan de Directie Financiën verklaart klager [C] dat [L] al jaren de uniform epauletten verzorgt van de dienst brandweer en dat deze epauletten het beste resultaat geven gezien levensduur en kwaliteit. Daarom beschouwt de dienst het aanvragen van meerdere offertes onnodig en kiest het om de aankoop te doen bij [L]. . [L] handelt onder de naam [F]. Klager heeft, als commandant, toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] daarop bij brief van 30 juli 2020 bericht over de noodzakelijke vervanging van de epauletten van de dienst brandweer te Aruba. Daarin staat dat na veel zoekwerk en overleg met lokale leveranciers het bedrijf [L] bereid en in staat is de epauletten te leveren in Arubaanse stijl. “Dit betekent dus dat alleen dit bedrijf onze epauletten kan aanleveren.”, zo schrijft klager aan de minister. Klager verzoekt de minister vervolgens om bij ministeriële beschikking de aankoop van de nieuwe epauletten door [L] mogelijk te maken. Op 4 december 2022 bericht de heer [N] [S] van [F] aan [W] van de brandweer Aruba dat [F] in het verleden geen epauletten aan de dienst brandweer geleverd. 9.4 Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat aannemelijk is dat klager zijn collega [A] heeft geholpen om buiten de normale procedures om geen offertes op te vragen bij meerdere bedrijven en de bestelling onder te brengen bij [F], waaraan de echtgenote van [A] gelieerd was. Klager wordt terecht verweten in strijd te hebben gehandeld met het verbod neergelegd in artikel 56, eerste lid, Lma om leveringen die ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel In het dossier bevindt zich tevens de offerte van [O] van 10 augustus 2020, waarin een bedrag voor inname van goederen van de dienst brandweer ontbreekt. Het gerecht kan niet aan de hand van de gedingstukken vaststellen dat door klager en of andere leden van de dienstleiding aan [K] andere informatie is verschaft dan aan [O] over de mogelijkheid om in de offerte te verwerken een eventuele korting voor inname van goederen. Dat [K] meer of andere informatie heeft gekregen dan [O] is echter wel aannemelijk. In de email d.d. 11 oktober 2023 van [P] van [O] aan [V], wordt door [P] bevestigd dat [O] nimmer op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om bij de offerte te betrekken het innemen van goederen. Daaruit blijkt ook dat zij niet op de hoogte was van de door [K] in de offerte opgenomen korting van ongeveer Afl. 150.000.-. Zij ziet in de gang van zaken een bevestiging dat de dienst brandweer [K] stelselmatig heeft bevoordeeld boven [O]. 10.4 Het gerecht stelt vast dat klager in zijn brief van 14 augustus 2020 ten onrechte want in strijd met de feiten de minister heeft bericht dat alleen [K] een offerte had uitgebracht. Het gerecht kan niet uitsluiten dat [K] is bevoordeeld boven [O] door aan [K] meer of andere informatie te verschaffen dan aan [O]. Aangezien klager [A] en klager als commandant samen een bepalende rol hadden bij het opvragen van de offertes en de voorlichting aan de minister, kan het gerecht evenmin uitsluiten dat klager, als commandant mede verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuw materieel, een rol heeft gespeeld bij mogelijke bevoordeling van [K] ten opzichte van [O]. Dit kan echter op basis van de zich in het dossier bevindende informatie niet met zekerheid worden vastgesteld. In zoverre is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat klager op dit punt een verwijt kan worden gemaakt. 10.5 Het gerecht is van oordeel dat op basis van de gedingstukken wel kan worden vastgesteld dat klager heeft meegewerkt aan een “deal” tussen de dienst brandweer en [K] over de inname van goederen door [K] met een restwaarde van Afl. 154.000., zonder openbare verkoop en dus in strijd met artikel 24, eerste en derde lid, van de Comptabiliteitsverordening. Dit handelen in strijd met de wet levert plichtsverzuim van klager op. 11. Omgang met vuurwapens 11.1 Klager wordt verweten in zijn werkkamer op kantoor kluizen te hebben met daarin verschillende vuurwapens, zonder hiervoor toestemming te hebben gekregen van de minister. Het zou gaan om persoonlijke pistolen, jachtgeweren en munitie, die door klager op zijn werkkamer werden bewaard. 11.2 Klager heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd. 11.3 Gesteld noch gebleken is dat aan klager uit hoofde van zijn functie een (dienst)wapen is verstrekt. Uit de verklaringen van [W] en [Z] volgt dat klager op zijn werkkamer twee kluizen had, die hij (ook) gebruikte om wapens en munitie in te bewaren. [W] heeft op 29 november 2022 verklaard dat klager medio 2018 in zijn bijzijn de kluis had geopend en hem een pistool, patroonhouder en losse patronen heeft laten zien. [Naam] heeft op 9 december 2022 verklaard dat klager in zijn kantoor twee wapenkluizen had. [Naam] heeft gezien dat klager uit een van die kluizen enkele vuistvuurwapens en ongeveer twee lange wapens (rifles) haalde. Uit de andere kluis haalde hij meerdere dozen van wat munitie bleek te zijn. [Naam] zag klager de wapens en de munitie in zijn persoonlijke auto plaatsen. Uit de mailcorrespondentie van 8 december 2022 volgt dat toenmalig minister [naam] klager nimmer toestemming heeft verleend voor het hebben en bewaren van persoonlijke wapens en munitie in wapenkluizen op kantoor. 11.4 Klager heeft de minister bij brief van 14 april 2020 verzocht de commandant van de brandweer een persoonlijke machtiging te verlenen tot het bij zich mogen dragen van een vuurwapen in verband met de veiligheid van het brandweerpersoneel. 11.5 In het bestreden landsbesluit is vermeld dat uit raadpleging van het register van de Kamer van Koop 13.2 In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen. 14. Conclusie 14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen: Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak; In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij: De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken J.G. Emanstraat 51 Oranjestad Aruba U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: 1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; 2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de datum van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. Bijlage: het wettelijk kader De Landsverordening materieel ambtenarenrecht Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden.
Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden werken, leveringen of dienstverrichtingen welke direct dan wel indirect geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks