Rechtspraak 2024-09-02
ECLI:NL:OGAACMB:2024:73
Uitspraak van 2 september 2024 Gaza nr. AUA202400755 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager], wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd. Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH). Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden. OVERWEGINGEN feiten 1.1 Klager is sedert 4 januari 2016 ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer in de functie van Hoofd bedrijfsvoering. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], commandant, [B] hoofd Preventie, en met [C], hoofd repressie. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim. 1.2 Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd. 1.3 Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 1.4 Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt. 1.5 Op 16 januari 2021 is tegen klager aangifte gedaan wegens verduistering in dienstbetrekking en op 3 februari 2021 wegens vernieling van dienstgoederen. 1.6 Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100626) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer: “(…) 4.4 De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van be[D]rlijk bestuur. 4.5 De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Verweerder h Het gerecht stelt allereerst vast dat verweerder alleen over klager inzage heeft gevraagd en gekregen in het strafdossier bij het OM, en niet over zijn voormalig collega’s van het managementteam bij dienst brandweer, omdat van het voormalig managementteam alleen klager is vervolgd voor strafbare gedragingen. Het gerecht stelt tevens vast dat klager door het OM uitsluitend is vervolgd voor verduistering van een werklaptop c.q. vernietiging van de harde schijf van die laptop dan wel de op die schijf opgeslagen gegevens. Omtrent de feiten die betrekking hebben op dit vermeende plichtsverzuim heeft verweerder ook zelfstandig disciplinair onderzoek verricht. Het klager verweten plichtsverzuim over de dienstlaptop bevat – anders dan de tenlastelegging in de strafrechtelijke procedure - ook het gebruik voor persoonlijke doeleinden en het verzoek door klager aan een IT-consultant om zijn e-mailbox en profiel te wissen. Verweerder heeft bij het oordeel over de vraag of klager wat betreft de dienstlaptop plichtsverzuim heeft gepleegd, betrokken gegevens uit het strafdossier, het vonnis van de strafrechter waarbij klager is veroordeeld, en uit eigen disciplinair onderzoek verkregen gegevens. Dat de gegevens uit het strafdossier (zie productie 8, bijlage 27 “aanvullend onderzoek DRH” van de door verweerder overgelegde stukken) op onrechtmatige wijze zouden zijn verkregen is gesteld noch gebleken. Maar ook als dit anders zou zijn, dan geldt volgens vaste rechtspraak dat het enkele feit dat bewijs (mogelijk) strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen niet zonder meer meebrengt dat dit bewijs ook in een bestuursrechtelijke procedure niet mag worden gebruikt. Dit is alleen dan het geval als het bewijs is verkregen op een wijze die zo zeer indruist tegen hetgeen van een be[D]rlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik hiervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Van een dergelijke situatie is het gerecht niet gebleken. De uit onderzoek verkregen gegevens zijn klager voorgehouden om zich te kunnen verantwoorden. Van die mogelijkheid heeft klager ook gebruik gemaakt. Het gerecht ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de rechten van klager op zodanige wijze zijn geschonden dat het bestreden besluit hierom moet worden vernietigd. 4. De noodzaak van nader onderzoek. 4.1 Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial. 4.2 Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen 5.1 Aan klager worden zeventien gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle zeventien verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hier Dat klager als [D]fd bedrijfsvoering er in de nacht op uit moest om drinken en eten te betalen voor de manschappen bij een uitruk, omdat alleen klager zou beschikken over de betaalpas om die goederen te betalen, zoals de commandant ter zitting heeft toegelicht, is niet geloofwaardig en bovendien geen verklaring voor de omvang van de door klager gedeclareerde overwerkuren. Ook de stelling dat het project digitalisering klager noopte in deze mate over te werken, is niet aannemelijk. Een dergelijk project kan tijdelijk overwerk in beperkte omvang rechtvaardigen, maar niet gedurende meer dan een jaar in de omvang als hier aan de orde. Dit volgt tevens uit de verklaring van 10 maart 2021 van [D], destijds waarnemend commandant, die verklaart dat de verantwoordelijkheden van klager niet vergden dat overuren werden ingeboekt, hetgeen ook blijkt uit het feit dat diens opvolger in de periode van eind oktober 2020 tot medio maart 2021 slechts op enkele dagen heeft moeten overwerken. 6.6 Door deze handelwijze heeft klager gehandeld in strijd met de geldende regels voor het declareren van overwerk, zoals die volgen uit de circulaire d.d. 14 februari 2017 (DRH no: 211/17; productie 8, bijlage 15) van de minister van Financiën en Overheidsorganisatie. Daaruit volgt onder meer dat overwerk in beginsel alleen kan worden toegekend: - als het dienstbelang het onvermijdelijk maakt dat aan de ambtenaar werk wordt opgedragen buiten de vastgestelde werktijden; dat in beginsel alleen aan executief personeel werkzaam in executieve dienst overwerkvergoeding wordt toegekend; dat overwerk alleen voor vergoeding in aanmerking komt op voorstel van het diensthoofd en met goedkeuring van de desbetreffende minister; dat het overwerk vooraf gepland en ingeroosterd moet zijn; dat overwerk zonder de goedkeuring van de minister niet wordt gecompenseerd tenzij sprake is van een uitzonderlijk spoedeisend geval, dat het diensthoofd moet bepalen of van een uitzonderlijk spoedeisend geval sprake is en dat het diensthoofd dit terstond schriftelijk gemotiveerd aan de minister moet laten weten. 6.7 Het gerecht stelt vast dat zowel klager als zijn voormalig commandant deze regels met voeten hebben getreden. De commandant liet het aan klager over om al dan niet overwerk te declareren en hield geen toezicht, niet vooraf en ook niet achteraf, op de omvang van het door klager gedeclareerde overwerk. Als de commandant door derden werd gewezen op het grote aantal overwerkuren van klager dan leidde dat niet tot enige controle door de commandant. De commandant tekende de lijsten dan af zonder navraag te doen naar de juistheid van de gepretendeerde overuren. Verder is niet gebleken dat goedkeuring aan de minister is gevraagd of gekregen, niet vooraf en ook niet achteraf. Hierdoor hebben zowel klager als zijn commandant gehandeld in strijd met de geldende regels voor het declareren van overwerk. Dit is tevens in strijd met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Door deze handelwijze heeft klager zich persoonlijk verrijkt ten koste van het Land. De handelwijze van klager en het nalatig handelen van diens toenmalige commandant heeft het Land aanzienlijke financiële schade berokkend, door verweerder begroot op ongeveer Afl. 92.847.-. Dit rechtvaardigt de conclusie dat zowel klager als zijn commandant zich schuldig hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. 7. Nevenactiviteiten zonder toestemming 7.1 Klager wordt verweten dat hij zonder goedkeuring van de minister nevenactiviteiten verrichtte door sinds 30 augustus 2016 bestuurslid (penningmeester) te zijn van de Stichting Brandweer Korps Aruba, door sedert 3 december 2015 een eenmanszaak [naam] uit te baten, en door tijdens zijn schorsing te werken als aannemer. 7.2 Klager heeft hiertegenover gesteld het verwijt ten aanzien van zijn aandeel in de Stichting misplaatst te vinden, omdat de stichting is opgericht met medeweten van de overheid en ter bevordering van de belangen van de ambtenaren werkzaam bij de Dienst Brandwe Niet is gebleken dat de commandant deze inventarisatie heeft laten uitvoeren, althans niet bij klager en de andere leden van het toenmalige managementteam, terwijl hij wist dat zij nevenactiviteiten verrichtten. Hij heeft het verzoek van de minister doorgezonden aan klager, die er geen vervolg aan heeft gegeven, althans niet ten aanzien van de leden van het managementteam. 7.8 De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klager en de commandant zich ook in zoverre aan plichtsverzuim schuldig hebben gemaakt. 7.9 Het gebruik van de dienstlaptop en de diensttelefoon door klager voor de commerciële activiteiten van zijn cateringbedrijf levert tevens schending op van artikel 57, eerste lid, Lma op, dat de ambtenaar verbiedt overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen van zichzelf of van derden. 7.10 Het besteden van werktijd aan de activiteiten van het cateringbedrijf levert schending op van artikel 49 Lma, dat bepaalt dat de ambtenaar verplicht is de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden (eerste lid) en tevens dat het de ambtenaar verboden is gedurende de voorgeschreven werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden. 8. De onregelmatige verkoop van dienstgoederen 8.1 Klager wordt verweten dat hij in verschillende hoedanigheden heeft meegewerkt aan de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld. 8.2 Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon kon de Stichting vervolgens op zoek gaan naar een derde die de goederen wilde kopen. Klager stelt dat deze “constructie” is besproken met DOW en de toenmalige coördinatoren van de toenmalige minister en dat deze hiervoor mondeling zijn toestemming zou hebben gegeven. De Stichting is er in geslaagd om de goederen voor een wat hogere prijs aan derden te verkopen, te weten voor in totaal Afl 6.500.-. Volgens klager is de koopprijs van de vijf goederen volledig gestort op de rekening van de Stichting en volledig aangewend voor de betaling van de kosten van (opleidingen voor) het personeel van de dienst brandweer, zodat een oogmerk van persoonlijke bevoordeling ontbreekt. Volgens klager is er ook geen overtreding van de Comptabiliteitsverordening. 8.3 Het verwijt betreft de verkoop van de volgende vijf dienstgoederen: voertuig HV-01, een hulpverlenings-materiaalwagen uit 1951. voertuig AP-02, uit 1952 voertuig CT-13, een crash-truck uit 1992 voertuig AS-03, uit 1990/1991 ademluchtfles hydro-tester (dryer en water jacket) 8.4 Aankoop door de Stichting . In het dossier bevinden zich enkele niet gedateerde ‘processen-verbaal’, waaruit zou moeten blijken dat de dienst brandweer in opdracht van commandant [A] enkele afgeschreven en niet meer in gebruik zijn goed 8.9 Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl. 1.000.- en Afl. 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl. 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl. 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(s) bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(s) is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv. 8.10 Het gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening ook klager aan, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen enerzijds als hoofd bedrijfsvoering en anderzijds als bestuurslid van de Stichting. Aldus heeft klager zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, hetgeen plichtsverzuim oplevert. 9. De onregelmatige aankoop van epauletten 9.1 Klager wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan de aanbesteding van epauletten van de dienst brandweer aan het bedrijf [naam] dat het werk heeft uitbesteed aan het Colombiaanse bedrijf [naam], waarvan de echtgenote van klager [C] de commercieel directeur is en waardoor [C] en zijn echtgenote een financieel voordeel ontvingen. Het verwijt betreft de voorkeursbehandeling van [naam], een onregelmatige aanbesteding en het verkeerd informeren van de minister terzake van de aanbesteding. 9.2 Volgens klager is het verwijt volstrekt onjuist. Op Aruba konden twee bedrijven dergelijke epauletten leveren, [namen], waarvan alleen [naam] voldeed aan de kwaliteitseisen van de dienst brandweer. Klager had geen kennis van het feit dat [naam] vervolgens de epauletten inkocht in Colombia bij een bedrijf waaraan een familielid van klager [C] gelieerd was. Aan klager kan daarom terzake niets worden verweten. 9.3 Het gerecht leidt uit het dossier over de aanbesteding van de epauletten de volgende feiten af. Op 8 april 2019 brengt het bedrijf [naam P]., ook h.o.d.n. [naam], aan de Brandweer Aruba een offerte uit voor de aanschaf van o.a. epauletten. Op 10 september 2019 heeft [naam], aan de Brandweer Aruba ter attentie van [persoonsnaam], een offerte uitgebracht voor de aanschaf van epauletten. [Persoonsnaam], werkzaam bij [bedrijfsnaam], heeft op 30 november 2022 verklaard dat hij in augustus-september 2019 is benaderd door klager [C] om voor de dienst brandweer epauletten te bestellen bij een bedrijf in Colombia, waarvan de echtgenote van klager [C] de contactpersoon was. Volgens de verklaring van [persoonsnaam] heeft [C] hem gevraagd de aanschaf rechtstreeks te regelen met zijn echtgenote. In oktober 2019 is [persoonsnaam] gebeld door [C] met de mededeling dat zijn vrouw de epauletten zou afleveren bij [bedrijfsnaam]. [Persoonsnaam] heeft de epauletten in ontvangst genomen en contact opgenomen met klager [C] om de epauletten bij [bedrijfsnaam] te komen ophalen. Met de bestelling was een bedrag gemoeid van USD 12.350.-. [Persoonsnaam] heeft over de bestelling contact gehad met [naam], werkzaam bij of voor [bedrijf] te Medellín, Colombia. Bij schrijven 22 juli 2020 van klager aan de Directie Financiën verklaart klager dat [bedrijf L] al jaren de uniform epaulette Verder wordt klager verweten dat hij heeft getracht het disciplinair onderzoek te verhinderen door een externe IT-consultant die werkzaam was voor de dienst brandweer te vragen om klagers profiel en e-mailbox te wissen. 10.2 Klager betwist dat hij een harde schijf zou hebben verwijderd uit een dienstlaptop. Verder voert klager aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld voor het wissen van gegevens op een dienstlaptop, omdat hij tegen het vonnis van de strafrechter hoger beroep heeft ingesteld. 10.3 Het gerecht merkt op dat indien door klager tegen het strafvonnis van 9 maart 2024 (zaaknr. 495/2022) tijdig hoger beroep is ingesteld en daarop door het Hof nog niet is beslist dat vonnis niet onherroepelijk is. Dat wil echter niet zeggen dat verweerder geen rekening zou mogen houden met het strafvonnis, al dan niet in combinatie met eigen (aanvullend) onderzoek. 10.4 Gelet op de motivering en de bewezenverklaring in genoemd strafvonnis en op het e-mailbericht van 8 december 2022 van [W] is het Gerecht van oordeel dat klager kan worden verweten opzettelijk, wederrechtelijk en onherstelbaar de gegevens op zijn dienstlaptop HP Probook 450 Gd te hebben gewist. Daarmee heeft klager zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 2:336, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Klager wordt verder terecht verweten dat hij heeft getracht door het wissen van alle gegevens op zijn dienstlaptop het ingestelde disciplinaire onderzoek tegen hem en zijn collega’s te verhinderen of te bemoeilijken. Daarbij betrekt het gerecht dat uit de verklaringen van [W] van 13 oktober 2022, en van [T] en de IT-functionaris [V] volgt, dat klager aanvankelijk niet heeft gereageerd op de verzoeken om zijn diensttelefoon en dienstlaptops in te leveren nadat hem de toegang was ontzegd, dat hij uiteindelijk na zijn aanhouding de dienstlaptops wel heeft ingeleverd, dat toen is gebleken dat hij van de HP Probook 450 Gd alle gegevens definitief en onherstelbaar had gewist, mede – zo heeft klager zelf verklaard - om te voorkomen dat die gegevens bij eventueel onderzoek bekend zouden worden. Tevens acht het gerecht van belang dat uit de verklaring van [W] volgt dat klager aan [W] heeft verzocht alle ‘files’ van hem op de server van de dienst brandweer te wissen en dat klagers collega [C] aan [W] heeft gevraagd hem al zijn ‘files’ te bezorgen. Beide verzoeken zijn geweigerd, nadat de toegang tot de server en e-mailbox was geblokkeerd bij wijze van voorzorgsmaatregel. 10.5 Het gerecht is van oordeel dat uit dit samenstel van feiten volgt dat klager zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, hetgeen plichtsverzuim oplevert. 11. Plichtsverzuim en de gevolgen 11.1 Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat klager in ieder geval met betrekking tot het ten onrechte declareren van overuren, het verrichten van nevenactiviteiten zonder toestemming, de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, de onregelmatige aankoop van epauletten en het wissen van informatie van een dienstlaptop en het verhinderen dan wel bemoeilijken van het disciplinaire onderzoek zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het gerecht kwalificeert het samenstel van verwijtbare gedragingen en nalaten door klager als ernstig plichtsverzuim. Aan ambtenaren in het algemeen maar aan de top van de brandweer in het bijzonder mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Door het ernstige plichtsverzuim en het niet integere handelen van klager, en zijn collega’s, is het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de dienst brandweer ernstig geschaad. Het gerecht betrekt daarbij dat klager door zijn handelen aanzienlijke financiële schade heeft veroorzaakt ten laste van het Land. Uit het dossier van klager en dat van zijn ontslagen collega’s komt een beeld naar voren komt van een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. Bijlage: het wettelijk kader De Landsverordening materieel ambtenarenrecht Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden.
Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden werken, leveringen of dienstverrichtingen welke direct dan wel indirect geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Lma is het de ambtenaar verboden een gift of een belofte daartoe van een derde aan te nemen, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, dat deze gedaan wordt teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Lma wordt onder gift mede verstaan de kwijtschelding van een verplichting alsmede het nakomen van een overeenkomst, waardoor de ambtenaar klaarblijkelijk bevoordeeld wordt.
Ingevolge artikel 61 is de ambtenaar verplicht terstond aan de betrokken minister mededeling te doen, indien door een derde pogingen zijn aangewend om hem door een gift of belofte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar die als zodanig en zonder ter zake rekenplichtig te zijn door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, middellijk of onmiddellijk de overheid schade toebrengt, verplicht die schade te vergoeden. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden be[D]rt na te laten of te doen. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Lma wordt de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd. Ingevolge artikel 87 kan de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt: a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem wordt ingesteld; b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst. Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van de Lma kan de ambtenaar, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaa