Rechtspraak 2024-09-02
ECLI:NL:OGAACMB:2024:72
Uitspraak van 2 september 2024 Gaza nr. AUA202400754 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het bezwaar als bedoeld in de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Klager] wonend te Aruba, KLAGER, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd. Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld. Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden. Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH). Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden. OVERWEGINGEN feiten 1.1 Klager is vanaf 4 augustus 2003 als ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer in de rang van officier en in de functie van Hoofd preventie, mede verantwoordelijk voor de vergunningen. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], commandant, [B], hoofd Preventie, en met [C], hoofd Bedrijfsvoering. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim. 1.2 Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd. 1.3 Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. 1.4 Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt. 1.5 Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100403) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer: “(…) 4.4 De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.5 De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Verweerder heeft verder te kennen gegeven dat de disciplinaire procedure met de meeste voortv Het gerecht ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de rechten van klager op zodanige wijze zijn geschonden dat het bestreden besluit hierom moet worden vernietigd. 4. De noodzaak van nader onderzoek 4.1 Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial. 4.2 Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals over de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen 5.1 Aan klager worden zes (6) gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle twaalf verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen: Onregelmatige verkoop van dienstgoederen Nevenactiviteiten zonder toestemming Oneigenlijk gebruik van diensttijd 6. De onregelmatige v erkoop van dienstgoederen 6.1 Klager wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld. 6.2 Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon is de Stichting vervolgens op zoek gegaan naar een derde die de goederen wilde kope De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl 3.000.- (HV-01), Afl 1.075.- (AP-02), Afl 3.000.- (CT-13) en Afl 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen. 6.8 Spelregels voor verkoop . Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de goederen niet in het openbaar behoefde te worden verkocht. Daaruit volgt dat door klager in zijn hoedanigheid van Hoofd repressie, en verantwoordelijk voor het instandhouden van het materieel, is meegewerkt aan handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, en artikel 24, eerste en derde lid, van de Cv. 6.9 Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl 1.000.- en Afl 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(s) bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(s) is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv. 6.10 Het Gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening niet alleen de commandant en klagers [C] en [B] aan, maar ook klager als Hoofd preventie, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen. Als verantwoordelijke voor alle vergunningen had klager moeten weten dat de dienst brandweer niet gerechtigd was goederen van de dienst onderhands te verkopen aan een privaatrechtelijke rechtspersoon. Door in strijd met de geldende regels actief mee te werken aan deze verboden verkoop van de goederen van het Land aan de Stichting, een transactie bedacht en uitgevoerd binnen de gelederen van het toenmalige managementteam van de dienst brandweer, waarbij klager een dubbele pet op had (Hoofd preventie en tevens voorzitter van de Stichting), heeft klager zich als ambtenaar schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. 7. Nevenactiviteiten zonder toestemming 7.1 Klager wordt verweten dat hij de functie van bestuurslid en voorzitter van de Stichting Brandweer Korps Aruba bekleedt en als zodanig nevenactiviteiten heeft ontplooid zonder daarvoor goedkeuring van de minister te hebben gevraagd of gekregen. 7.2 Klager heeft hiertegenover gesteld het verwijt ten aanzien van zijn aandeel in de Stichting misplaatst te vinden, omdat de stichtin Aan ambtenaren in het algemeen maar aan de top van de brandweer in het bijzonder mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Door het ernstige plichtsverzuim en het niet integere handelen van klager, en zijn collega’s, is het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de dienst brandweer ernstig geschaad. Het gerecht betrekt daarbij dat klager door zijn handelen aanzienlijke financiële schade heeft veroorzaakt ten laste van het Land. Uit het dossier van klager en dat van zijn ontslagen collega’s komt een beeld naar voren komt van een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het overtreden van de regels goed voor zichzelf zorgden. Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat klager, en zijn collega’s, ongeschikt zijn voor hun functie en ook voor enige andere ambtelijke functie. Gelet hierop en op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is het opleggen van de disciplinaire sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag passend en geboden. De gevolgen daarvan voor klager zijn groot, maar niet onevenredig afgezet tegen de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het gerecht is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onmiddellijke tenuitvoerlegging van het strafontslag door het dienstbelang wordt gevorderd. 10. Tijdverloop 10.1 Het gerecht stelt vast dat het disciplinaire onderzoek lang heeft geduurd. Nadat klager op 23 oktober 2020 de toegang was ontzegd en hem op 14 januari 2021 de maatregel van schorsing was opgelegd heeft het tot 11 januari 2023 geduurd voordat hij is opgeroepen voor een verantwoordingsgesprek. Tijdens dat gesprek is hij geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en wist hij dat het voornemen was om hem een disciplinaire maatregel op te leggen. Het aan dat gesprek voorafgaande onderzoek heeft dus ongeveer twee jaar geduurd. Het strafrechtelijk onderzoek is daar mede debet aan. Na het verantwoordingsgesprek op 20 januari 2023 heeft (nader) onderzoek plaatsgevonden, waarna het bestreden besluit op 1 februari 2024 is genomen. 10.2 In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen. 11. Conclusie 11.1 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het bezwaar ongegrond; Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen: Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraa