Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-08-26
ECLI:NL:OGAACMB:2024:69
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,556 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
uitspraak
in de zaak van:
[klaagster],
wonende in Curaçao,
klaagster,
procederend in persoon,
tegen
de Regering van Curaçao,
verweerster,
hierna: de Regering,
gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het besluit van 29 september 2023, verzonden op 18 oktober 2023, waarbij de Regering het verzoek van klaagster om alsnog met toepassing van de Landverordening vervroegd vrijwillige uitstroom (hierna de Lv vvu) uit dienst te treden heeft afgewezen.
1.1
Klaagster heeft op 13 november 2023 bezwaar gemaakt daartegen.
1.2
De minister heeft een contramemorie ingediend.
1.3
Het bezwaar is op 13 mei 2024 ter zitting behandeld. Klaagster is in persoon verschenen. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt de afwijzing van het verzoek van klaagster om alsnog met toepassing van de Lv vvu uit dienst te treden. Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. De Regering heeft het verzoek van klaagster af kunnen wijzen omdat zij het aanmeldingsformulier niet binnen de daarvoor bij wet gestelde termijn heeft ingediend. Van bijzondere omstandigheden die maken dat de Regering het verzoek van klaagster alsnog had moeten toewijzen is het Gerecht niet gebleken.
Wat is van belang om te weten in deze zaak?
3.1
Klaagster is aangesteld als ambtenaar en vervult de functie van administratief medewerkster bij de Uitvoeringsorganisatie Reclassering.
3.2
Klaagster heeft op 10 januari 2020 een formulier genaamd ’Vervroegde Vrijwillige Uitstroom (VVU) - Belangstellingsformulier’ ingevuld en per e-mail verstuurd naar het e-mailadres kresementu@gobiernu.cw.
3.3
Klaagster heeft in januari 2023 contact gehad met de afdeling Beleidsorganisatie Human Resources & Organisatie (hierna: HRO) van het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening. Zij kreeg toen te horen dat de termijn om een aanvraag in te dienen om met toepassing Lv vvu vervroegd uit dienst te treden, al was verstreken. Zij is daarbij geadviseerd om de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening (hierna: de minister van BPD) aan te schrijven.
3.4
Klaagster heeft de minister van BPD vervolgens bij brief van 9 maart 2023 verzocht om al het mogelijke te doen opdat zij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om met toepassing van de Lv vvu uit dienst te treden. Zij heeft in haar brief toegelicht dat zij in december 2019 een formulier van mevrouw [A] van de HRO heeft ontvangen. Dat formulier heeft zij ingevuld en gemaild naar het e-mailadres kresementu@gobiernu.cw. Zij is ervan uitgegaan dat zij met de indiening van dat formulier volledig was aangemeld voor het vvu-traject en dat zij ook op de hoogte zou worden gehouden van het vvu-traject. Zij heeft om die reden ook geen gehoor gegeven aan de laatste oproep van HRO aan personen die wensten deel te nemen aan het vvu-traject van 4 juli 2022.
Wat heeft de Regering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd?
4. De Regering heeft het verzoek van klaagster voorgelegd aan de commissie vvu zoals bedoeld in artikel 7 van de Lv vvu (hierna: de commissie) en heeft bij het bestreden besluit, met verwijzing naar het advies van de commissie, het verzoek van klaagster afgewezen. De Regering heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat klaagster weliswaar onder groep 2 van de Lv vvu valt, maar dat zij haar aanvraag pas op 9 maart 2023 en dus te laat heeft ingediend. Zoals volgt uit het landsbesluit van 31 mei 2021, no. 21/0860, liep de termijn voor het indienen van een verzoek tot vervroegd vrijwillig uitstroom voor groep 2 van 15 juni 2021 tot en met 31 juli 2022. Wat betreft de redenen van klaagster voor het te laat indienen van haar vvu-verzoek, heeft de Regering het volgende overwogen. Klaagster heeft zelf in haar verzoek vermeld dat zij de laatste e-mailberichten betreffende vvu van HRO heeft ontvangen, maar heeft nagelaten actie te ondernemen of contact te zoeken met HRO om navraag te doen. Daarnaast staat in het belangstellingsformulier duidelijk aangegeven dat het uitsluitend wordt gebruikt voor een berekening van het pensioeninkomen en dat het niet als aanvraag van pensioen kan worden beschouwd. De Regering concludeert dat klaagster niet voldoet aan de criteria waaraan groep 2, de categorie ambtenaren waartoe klaagster behoort, moet voldoen om met gebruikmaking van de vvu-regeling uit dienst te treden.
De bezwaargronden van klaagster
5. Klaagster betoogt - naar het Gerecht begrijpt - ten eerste dat zij tot groep 2 zoals bedoeld in de Lv vvu behoort en dat alleen de in artikel 3 van de Lv vvu vermelde criteria tot afwijzing van een verzoek om vvu kunnen leiden. Geen enkele van de in dat artikel genoemde criteria zijn in haar geval van toepassing. De Regering mocht haar verzoek dan ook niet afwijzen.
6. Dit betoog slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
6.1
De Regering heeft de brief van klaagster van 9 maart 2023 kennelijk aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in het eerste lid, van artikel 9, van de Lv vvu (hierna: vvu-verzoek). Weliswaar worden er in artikel 3 van de Lv vvu een aantal gronden vermeld die tot afwijzing van een vvu-verzoek leiden, echter uit het eerste lid van artikel 9 van de Lv vvu volgt dat een vvu-verzoek binnen een bij landsbesluit bepaalde termijn moet worden ingediend. Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat klaagster onder groep 2, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f van de Lv vvu, valt. Bij landsbesluit van 31 mei 2021 is bepaald dat de termijn voor het indienen van het verzoek voor groep 2 aanvangt op 15 juni 2021 en eindigt op 31 juli 2022. Anders dan klaagster stelt volgt deze termijn uit de wet en is het geen beleidsregel. Klaagster heeft haar verzoek pas op 9 maart 2023, en dus buiten die termijn, ingediend. De Regering kon het vvu-verzoek van klaagster dan ook afwijzen omdat zij het pas op 9 maart 2023 en dus niet binnen de daarvoor bij landbesluit gestelde termijn heeft ingediend.
7. Ook het betoog van klaagster dat het voor haar niet duidelijk is aan welke criteria de commissie heeft getoetst om te komen tot hun advies, omdat de procedure zoals beschreven in artikelen 9 en 10 van de Lv vvu niet is gevolgd, slaagt niet. De Regering heeft in het bestreden besluit immers uiteengezet waarom de commissie heeft geadviseerd om het verzoek van klaagster af te wijzen en dat is omdat het verzoek van klaagster niet tijdig is ingediend.
8. Klaagster voert verder aan dat zij ervan uit is gegaan dat het door haar op 10 december 2020 ingediende belangstellingsformulier een vvu-verzoek was. Zij was ook onder de veronderstelling dat zij naar aanleiding van de indiening van het belangstellingsformulier ook op de hoogte zou worden gehouden van het vvu-traject. Zij heeft echter nadat zij het belangstellingsformulier heeft gemaild geheel geen reactie of nadere informatie ontvangen van de Regering over het vvu-traject. Verder zat haar dienst sinds de tweede helft van het jaar 2021 zonder een Human Resources medewerker, dus ook via die weg heeft zij geen informatie ontvangen.
8.1
Volgens de Regering wist of had klaagster kunnen weten dat het belangstellingsformulier geen vvu-verzoek was. Dit omdat op het belangstellingsformulier duidelijk is vermeld dat het niet geldt als een vvu-verzoek. Op het belangstellingsformulier is ook vermeld dat dit formulier uitsluitend wordt gebruikt om aan de hand van de ingevulde gegevens een pensioenberekening te laten uitvoeren door het pensioenfonds. De Regering heeft verder het overheidspersoneel, waaronder dus ook klaagster, via e-mail uitgenodigd voor verschillende informatiesessies. Bij die informatiesessies is de uiterlijke indieningsdatum voor vvu-verzoeken van groep 2, waartoe klaagster behoorde, ook aan de orde geweest. Klaagster is via de informatiesessies en e-mails duidelijk geïnformeerd tot welke datum het verzoek kon worden ingediend, aldus de Regering.
9. Het Gerecht volgt klaagster niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de bezwaargronden van klaagster niet slagen. Het bezwaar zal dan ook ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het betreden besluit van de Regering van 29 september 2023 in stand blijft.
11. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar van klaagster ongegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.