Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2023-12-11
ECLI:NL:OGAACMB:2023:72
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,166 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
Uitspraak
in de zaak van:
[Klager],
wonende te Bonaire,
klager,
gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en E Kleist, beiden advocaat,
tegen:
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
verweerder,
gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat.
Procesverloop
Klager heeft op 5 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 13 april 2023 op grond waarvan verweerder klager met ingang van 15 april 2023 primair disciplinair ontslag en subsidiair functionele ongeschiktheidsontslag heeft verleend (het bestreden besluit). Klager heeft ook een verzoek om een beslissing bij voorraad ingediend.
Verweerder heeft een contramemorie ingediend.
Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht van 18 september 2023. De rechter en de griffier zaten in het gerechtsgebouw in Curaçao. Ook klager en zijn gemachtigden waren in de zittingszaal in Curaçao aanwezig. Namens verweerder zijn in de zittingszaal in Bonaire verschenen de gemachtigde vergezeld door [A], plv. directeur Belastingdienst Caribisch Nederland, en [B], teamleider Douane Caribisch Nederland en direct leidinggevende van klager, die via een directe videoverbinding aan de zitting hebben deelgenomen. Ter zitting heeft klager zijn verzoek om een beslissing bij voorraad ingetrokken.
Overwegingen
wettelijk kader
1. Op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder i, van het Rechtspositiebesluit BES is ontslag een van de disciplinaire straffen die kan worden opgelegd.
1.1.
Op grond van artikel 92, eerste lid, aanhef en onder f, van het Rechtspositiebesluit BES kan de ambtenaar, voor zover hier van belang, worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
Feiten
2. Klager was werkzaam in de functie van operationeel leidinggevende/teamleider fysiek toezicht bij de Belastingdienst Caribisch Nederland, onderdeel Douane. Klager is begin februari 2022 door de politie aangehouden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar ambtelijke corruptie. Naar aanleiding hiervan is klager in het belang van de dienst geschorst met behoud van loon en is hem de toegang ontzegd tot de dienstgebouwen. Verweerder heeft twee disciplinaire onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot klager.
2.1.
In november 2022 heeft verweerder aan klager meegedeeld dat hij voornemens was hem wegens functionele ongeschiktheid te ontslaan. In februari 2023 heeft verweerder dat voornemen gewijzigd en klager meegedeeld dat hij voornemens is klager primair disciplinair en subsidiair wegens functionele ongeschiktheid te ontslaan. In maart 2023 heeft klager gereageerd op het ontslagvoornemen.
2.2.
Verweerder heeft in de reactie van klager geen aanleiding gezien om af te zien van het voorgenomen ontslag en heeft het bestreden besluit aan hem uitgereikt. Op grond van het bestreden besluit heeft verweerder klager met ingang van 15 april 2023 met toepassing van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder i, van het Rechtspositiebesluit primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en heeft klager subsidiair met toepassing van artikel 92, eerste lid, aanhef en onder f van het Rechtspositiebesluit wegens functionele ongeschiktheid ontslagen.
Beoordeling
onrechtmatig verkregen informatie
3. Klager stelt dat verweerder op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens niet bevoegd was om gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek die het Openbaar Ministerie aan verweerder heeft verstrekt tegen hem te gebruiken in het kader van de twee disciplinaire onderzoeken die verweerder tegen hem heeft ingesteld. Verder stelt hij dat voor zover de onderbouwing van de aan hem in het bestreden besluit verweten gedragingen op die onrechtmatig verkregen gegevens steunen, die gedragingen al vanwege die onrechtmatigheid niet tot zijn ontslag kunnen leiden.
3.1.
Deze stellingen treffen geen doel. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd levert het ambtenarenrecht geen beperkingen op voor het gebruiken van bedoelde gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. Bovendien is klager geïnformeerd dat het Openbaar Ministerie bedoelde gegevens aan verweerder heeft verstrekt en heeft verweerder klager voorafgaand aan het ontslag in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven over de voorlopige conclusies waartoe verweerder mede met gebruikmaking van die gegevens is gekomen. Verweerder is aldus zorgvuldig omgegaan met die gegevens in het kader van de besluitvormingsprocedure die aan het bestreden besluit is voorafgegaan. Van een onrechtmatig ontslag wegens het gebruik van gegevens uit het strafrechtelijk dossier van klager is dus geen sprake.
plichtsverzuim?
4. Aan de orde is de vraag of klager zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Verweerder heeft in de contramemorie uitvoerig toegelicht welke gedragingen hij klager verwijt. Bij de namens hem ter zitting overgelegde pleitnota heeft klager hierop gereageerd. Naar het oordeel van het Gerecht heeft klager ten aanzien van de volgende gedragingen niet of onvoldoende weersproken dat hij zich aan die gedragingen schuldig heeft gemaakt. In het kader van deze procedure staat dan ook vast dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Naar het oordeel van het Gerecht leveren deze gedragingen plichtsverzuim op, zoals hierna zal worden toegelicht.
losse onderdelen van de heer [C]
4.1.
Gelet op de uitvoerige toelichting van verweerder in de contramemorie, waarbij mede door klager afgelegde verklaringen zijn betrokken, is voldoende komen vast te staan dat klager op zijn vrije dag is gebeld door ene [C], een kennis van hem, met de klacht dat twee douaniers losse onderdelen in beslag hebben genomen die in twee door [C] ingevoerde auto’s lagen. [C] wilde dat de beslissing van de douaniers om die onderdelen in beslag te nemen zou worden teruggedraaid en heeft klager gebeld om dat te bewerkstelligen. Daargelaten dat klager op de bewuste dag een vrije dag had en alle dienstaangelegenheden aan zijn dienstdoende collega’s had moeten overlaten, heeft hij met gebruikmaking van zijn hoedanigheid van teamleider de correcte beslissing tot inbeslagneming telefonisch teruggedraaid. Dat, terwijl de inbeslagneming van de onderdelen zelfs met goedkeuring van de dienstdoende teamleider heeft plaatsgevonden. Zoals klager zelf aan de interne onderzoekers heeft verklaard was zijn handelen niet een gebruikelijke interventie bij een dergelijk geval. Behalve dat klager had moeten begrijpen dat hij de heer [C] met zijn klacht naar het douanekantoor had moeten verwijzen, is niet in geschil dat [C] in strijd met de (wettelijke) regels heeft gehandeld door de losse onderdelen niet aan te geven. Zelfs dat heeft klager er echter niet van weerhouden om de correcte beslissing tot inbeslagneming van de onderdelen terug te draaien. Daarbij heeft klager geen overleg gepleegd met zijn collega teamleider in wiens opdracht de onderdelen in beslag zijn genomen en ook niet met zijn leidinggevende. Door op de hier beschreven manier zijn functie uit te oefenen heeft klager zich aan plichtsverzuim schuldig gemaakt. De interventie van klager lijkt uitsluitend te zijn gericht op het behartigen van het belang van [C] en niet op toepassing van geldende wet- en regelgeving en een correcte uitoefening van zijn functie.
vrijgeven auto van de collega van zijn echtgenote
4.2.
Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat klager op verzoek van zijn echtgenote aan een collega van de echtgenote voorrang heeft verleend bij het vrijmaken van een door deze collega ingevoerde auto. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat klager niet lijkt te beseffen dat dit soort gedragingen bij het publiek het beeld doet ontstaan dat klager een ambtenaar is die zaken snel en buiten de gebruikelijke procedures en wachttijden regelt en dat mensen hem daarom ook daarvoor gaan benaderen. Het Gerecht is het met verweerder eens dat dit geen vorm is van positieve servicegerichtheid maar van niet-integer handelen. Door in strijd met de (wettelijke) regels en/of werkafspraken en/of gangbare praktijken voorrang te geven aan de collega van zijn echtgenote, heeft klager zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.
geval [D]
4.3.
Aannemelijk is geworden dat ene [D] klager tijdens zijn piket heeft gebeld met het verzoek om een fiattering te regelen. Klager heeft [D] bij hem thuis uitgenodigd en heeft vanuit zijn woning het door [D] verzochte fiat gegeven. Het Gerecht is het met verweerder eens dat klager met deze handelwijze minimaal de schijn van belangenverstrengeling althans niet-integer handelen heeft gewekt vooral omdat het verzoek van de klant een uitzondering op de regel inhoudt, namelijk een fiattering buiten kantoor. Klager heeft niet betwist dat deze handelwijze niet de gangbare procedure is voor fiattering. Door toch op die manier vanuit zijn woning tot fiattering over te gaan en daarbij ook niet te overleggen met zijn collega teamleider of zijn leidinggevende heeft klager zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.
vrijmaken van containers in het weekend
4.4.
Uit de door verweerder gegeven toelichting, ondersteund door de aan de interne onderzoekers afgelegde verklaringen van de direct leidinggevende en nog twee collega’s van klager, is het volgende aannemelijk geworden. Tijdens een vergadering van 21 oktober 2021 waarbij naast klager en zijn leidinggevende ook twee collega’s van hem aanwezig waren, is besloten dat het in beginsel niet is toegestaan containers vrij te maken op zaterdag en zondag. Klager heeft ook aan de Rijksrecherche verklaard dat op die vergadering die beslissing is genomen. Toch is klager na 21 oktober 2021 doorgegaan met het vrijgeven van containers in het weekend. Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat klager na 21 oktober 2021 minstens acht keer in het weekend een container heeft vrijgegeven. Dit deed klager overigens steeds zonder daarvoor eerst toestemming te vragen aan zijn leidinggevende. Hiermee heeft klager zich herhaaldelijk aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.
geval [E]
4.5.
De door verweerder toegelichte en niet door klager betwiste feiten van het geval [E] leiden tot de conclusie dat klager zich ook in dat geval aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.
4.5.1.
Klager werd op een dag waarop hij geen dienst had gebeld door het bedrijf [E] omdat het bedrijf met spoed wilde beschikken over goederen in een door het bedrijf ingevoerde container. Klager heeft, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard: Ik kan dan fiat geven. Fiat geven is het vrijgeven van goederen die kunnen bederven of die ze spoedig nodig hebben. De klant mag dan de goederen hebben voordat er ABB betaald is. Normaal moet dit altijd gebeuren voor de klant het krijgt. Ik wist niet om welke goederen het ging.
Conclusie
7. Het bezwaar is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden ontslagbesluit in stand blijft. Om die reden is geen grond voor toewijzing van de door klager verzochte proceskostenveroordeling.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar tegen het bestreden ontslagbesluit van 13 april 2023 ongegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2023 te Curaçao, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de War 1951 BES.