Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2023-12-15
ECLI:NL:OGAACMB:2023:71
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,718 tokens
Inleiding
Zaaknummer: SXM202300088-GAZ 1/2023
Datum: 15 december 2023
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
[naam],
klager,
gemachtigde: mr. M.F. BONAPART,
tegen
1. HET LAND SINT MAARTEN,
zetelende te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. S.C. van LINT,
2. DE GOUVERNEUR VAN HET LAND SINT MAARTEN,
zetelende te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: S.C. van LINT,
1Aanduiding bestreden besluit
Het landsbesluit van 23 december 2022 waarbij verweerder klager eervol ontslag verleend uit landsdienst met toepassing van artikel 101, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma), ingaande 1 januari 2023.
2Het procesverloop
2.1.
Op 26 januari 2023 is ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een pro-forma bezwaarschrift (met producties) ingediend. Klager heeft op 23 maart 2023 een aanvullend bezwaarschrift (met producties) ingediend.
2.2.
Op 7 juni 2023 heeft verweerder een contra- memorie met producties ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op maandag, 20 november 2023. Klager is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd.
Namens verweerder zijn verschenen mevr. S. Jacobs, Minister President, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd.
2.4.
Uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
De volgende feiten staan vast.
3.1.
Bij landsbesluit van 30 juni 2015 is klager aangesteld als secretaris-generaal (hierna: SG) bij het Ministerie van Algemene Zaken, Sint Maarten.
3.2.
In een voornemen van 7 oktober 2022 heeft verweerder aangegeven tot eervol ontslag te willen overgaan per 1 januari 2023 op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, op grond van artikel 101, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma.
3.3.
Bij brief van 13 oktober 2022 heeft klager zijn zienswijze omtrent dit voornemen gegeven.
3.4.
Bij landsbesluit van 23 december 2022 heeft verweerder klager ontslagen met ingang van 1 januari 2023. (het bestreden besluit).
4Standpunten
4.1.
Klager heeft (kort samengevat) aangevoerd dat hij niet onbekwaam of ongeschikt is voor zijn functie. Klager stelt dat hij steeds zijn werkzaamheden kundig en naar eer en geweten heeft uitgevoerd binnen de manoeuvreer ruimte die hem werd gelaten. Klager geeft aan dat er meestal niet gereageerd is op zijn ingediende voorstellen en dat de minister zijn werkzaamheden ondermijnde. Klager stelt dat het probleem met name ligt in de wijze waarop de minister gebruik maakt van haar bevoegdheden, zoals het buitensluiten van de SG, het zonder overleg met de SG en de managers innemen van positie en haar micromanagement. De door verweerder genoemde incidenten, welke geheel uit hun context zijn gerukt, dienen ongegrond en als ongeldig te worden gekwalificeerd, niet alleen maar omdat het hier incidenten betreft en geen bevestiging zijn van een patroon in de uitvoering van zijn werkzaamheden, maar ook door onvolledige onderbouwing. Voorts acht klager een en ander in strijd met de procedures en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu hij een voornemen tot ontslag werd aangeboden zonder dat daarbij een formele waarschuwing, mondeling dan wel schriftelijk, aan vooraf is gegaan. Klager heeft voorts nog aangevoerd dat er geen reële pogingen zijn gedaan om hem te herplaatsen.
Klager verzoekt het gerecht het bestreden landsbesluit nietig te verklaren althans te vernietigen en derhalve te veroorzaken dat klagers ambtelijk dienstverband wordt hersteld, met veroordeling in proceskosten.
4.2.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het bezwaar van klager niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het Land en ongegrond te verklaren ten aanzien van de Gouverneur, waarbij het bestreden besluit in stand dient te blijven.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd (kort samengevat) dat klager ongeschikt moet worden geacht voor zijn functie. Verweerder heeft in dat kader aangevoerd dat klagers ongeschiktheid met name tot uiting komt in tekortkomingen die in relatie staan tot de ongepaste wijze van communiceren richting collega’s en derden, de onkunde om gekwalificeerd personeel aan te nemen, het verzaken om de informatie aan te leveren voor het begrotingsjaar 2021 en het niet proactief handelen daaromtrent, het verzaken om naar behoren de kwaliteit van producten en diensten te bewaken, zijn onkunde om op adequate wijze de bedrijfsvoering aan te pakken en te optimaliseren en dat hij de belangrijkste afspraken en opgedragen instructies niet is nagekomen en strategische documenten niet heeft kunnen aanleveren waaronder het ministerieel plan, afdelingsplannen en meer. Voorts heeft hij niet aangetoond dat hij de HR cyclus heeft doorlopen met zijn eigen managementteam. Verweerder heeft geconcludeerd dat het functioneren van klager niet naar behoren is en dat hij over de jaren heen te weinig verbetering heeft getoond. Klager voldoet niet aan de vereiste competenties.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt voor het overige hierna zo nodig nader ingegaan.
Beoordeling
Het gerecht overweegt als volgt.
5.1.
Ontvankelijkheid.
Klager heeft in het bezwaarschrift als verweerders aangeduid de openbare rechtspersoon het Land Sint Maarten en de Gouverneur van Sint Maarten. Het gerecht overweegt dat uit artikel 4, sub b, onder i, van de Lma volgt dat het bevoegd gezag de Gouverneur is.
Voor zover het bezwaar zich richt tegen het Land Sint Maarten, is het daarom niet-ontvankelijk. Voor zover het bezwaar zich richt tegen de Gouverneur, is het wel ontvankelijk. In die zin zal hierna worden beslist.
5.2.
In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden klager eervol ontslag heeft verleend met ingang van 1 januari 2023 wegens onbekwaam- of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Het betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit houdt in dat, nadat is vastgesteld dat de ambtenaar onbekwaam of ongeschikt is voor de vervulling van zijn ambt, vervolgens de vraag aan de orde komt of het bevoegd gezag na afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid het ontslagbesluit heeft kunnen nemen.
5.3.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken.
Verder dient het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak ongeschiktheid voor het vervullen van een functie – zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn – aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of lichaamsgebreken is in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.
5.4.
Het gerecht acht in de gedingstukken voldoende concrete onderbouwing gegeven voor het in de zienswijze en het ontslagbesluit vervatte negatieve oordeel omtrent klagers functioneren. Het gerecht verwijst in dit verband onder andere naar de klachten die zijn ingediend met betrekking tot ongepaste communicatie en de wijze van opstellen van klager ten aanzien van derden. Voorts acht het gerecht van belang dat uit de door verweerder overgelegde stukken een beeld naar voren komt dat klager op belangrijke aspecten van zijn functioneren, zoals het tijdig aanleveren van stukken, de kwaliteitsbewaking, de bedrijfsvoering en het nakomen van instructies, tekortschiet. Ook nadat klager in de aan hem gerichte ‘letter of concern’ van 15 juli 2021 op deze aspecten is gewezen, zijn de probleempunten blijven bestaan. Dit blijkt zo is het gerecht van oordeel uit de tussentijdse evaluatie van augustus 2021 en de eindbeoordeling 2021. Verweerder heeft een omvangrijk dossier overgelegd. Dat slechts sprake zou zijn van incidenten zoals klager stelt kan het gerecht niet volgen. Uit het dossier blijkt voldoende van een patroon van disfunctioneren van klager.
5.5.
Het gerecht is van oordeel dat klager de door verweerder aangehaalde feiten en omstandigheden onvoldoende heeft weersproken. Zo heeft verweerder onderbouwd naar voren gebracht dat de door klager ingebrachte stukken onvolledig zijn. Verder is het gerecht van oordeel dat uit de reactie op de zienswijze van klager en uit het bezwaarschrift naar voren komt dat klager veel van aan hem verweten gedragingen en tekortkomingen in zijn functioneren toeschrijft aan verweerder. Het gerecht overweegt dat van een SG mag worden verwacht dat hij zich weet aan te passen aan veranderende politieke omstandigheden en kan samenwerken met ministers van verschillende politieke kleur. Dat zijn voorstellen niet worden opgevolgd zou voor een SG aanleiding moeten zijn deze aan te passen aan de dan heersende politieke lijn. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat klager hier niet in slaagt.
5.6.
Het gerecht is dan ook van oordeel dat verweerder met voldoende stukken die verwijzen naar concrete gedragingen, aannemelijk heeft gemaakt dat klager niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Verweerder kwam derhalve de bevoegdheid toe klager met toepassing van artikel 101, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma, eervol ontslag te verlenen.
5.7.
Voor zover klager heeft aangevoerd dat verweerder bij de besluitvorming vooringenomen is geweest, de verwijten zijn gebaseerd op eenzijdig onderzoek en aannames en verweerder de intentie had om een einde te maken aan het dienstverband van klager, overweegt het gerecht dat hiervan niet is gebleken. Verweerder is naar het oordeel van het gerecht in het geval van klager zorgvuldig te werk gegaan. Klager is herhaaldelijk gewezen op de geconstateerde tekortkomingen en is in de gelegenheid gesteld zijn houding en gedrag te verbeteren en in lijn te brengen met hetgeen vereist is voor een goede functievervulling door een SG. Niet is gebleken dat de huidige minister bij haar aantreden vooringenomen was ten aanzien van klager. Het gerecht is van oordeel dat uit het dossier naar voren komt dat klager juist gedurende langere tijd door de huidige minister een kans is geboden om tot goed functioneren te komen.
5.8.
Klager heeft voorts nog verwezen naar zijn onberispelijke staat van dienst. Het gerecht stelt vast dat uit het dossier blijkt van eerdere problemen die verband houden met het onvoldoende functioneren van klager. Dat een en ander niet heeft geleid tot een formele waarschuwing maakt niet dat verweerder de stukken hieromtrent niet mocht gebruiken ter onderbouwing van het ontslagbesluit.
5.9.
Het gerecht is van oordeel dat in onderhavige zaak duidelijk naar voren komt dat klager al langere tijd regelmatig is geconfronteerd met het standpunt van verweerder dat er meer van hem verwacht wordt en dat hij zijn functioneren dient te verbeteren op meerdere punten. Dit blijkt onder andere uit de aan hem gerichte ‘letter of concern’ van 15 juli 2021, het verslag van het tussentijds evaluatie gesprek van augustus 2021 en de eindbeoordeling 2021. Uit deze stukken komt op niet mis te verstane wijze naar voren dat klager op vele fronten dient te verbeteren en dat zijn functioneren als beneden gemiddeld wordt beoordeeld door verweerder. De beroepsgrond van klager dat hij een voornemen tot ontslag is aangeboden zonder dat daarbij een formele waarschuwing, mondeling dan wel schriftelijk aan vooraf is gegaan, kan niet slagen. Immers, een formele waarschuwing is geen wettelijk vereiste om tot ontslag over te kunnen gaan. De beroepsgrond faalt.
5.10.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ongeschiktheid van klager voor zijn functie definitief was komen vast te staan en dat pogingen tot verbetering waren gedoemd te mislukken.
5.11.
Klager heeft nog aangevoerd dat er geen reële pogingen zijn gedaan om hem te herplaatsen. Dat klager in aanmerking zou komen voor herplaatsing of dat verweerder hiertoe een poging had dienen te ondernemen, kan het gerecht niet volgen. Sint Maarten is een kleine gemeenschap met een beperkt ambtenaren apparaat en een zeer beperkt aantal functies op het niveau van klager. Gezien de conclusie van verweerder dat klager ongeschikt en onbekwaam is voor zijn functie, acht het gerecht het niet realistisch om van verweerder te verwachten dat klager als SG bij een ander ministerie geplaatst zou kunnen worden. De beroepsgrond faalt.
Dictum
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen de openbare rechtspersoon het Land Sint Maarten niet-ontvankelijk;
verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen de Gouverneur van Sint Maarten ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.M. Ghrib , rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 15 december 2023.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken.