Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2023-10-09
ECLI:NL:OGAACMB:2023:52
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,351 tokens
Inleiding
Uitspraak van 9 oktober 2023
Gaza nr. AUA202302710
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek om een beslissing bij voorraad als bedoeld in
artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Verzoeker],
wonend te Aruba,
VERZOEKER,
procederend in persoon,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).
Procesverloop
Bij brief van 6 juni 2023 (bestreden beschikking) heeft verweerder aan verzoeker onder meer bericht dat er geen rechtsbasis is voor verzoeker om als waarnemend hoofd van het Bureau Guarda Nos Costa (Bureau GNC) terug te keren en dat hij dient terug te keren naar het Korps Politie Aruba (KPA) om zijn rang van onderinspecteur uit te oefenen.
Daartegen heeft verzoeker op 3 juli 2023 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Op 13 juli 2023 heeft verzoeker het gerecht verzocht om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La.
Het verzoek is behandeld in raadkamer op 18 september 2023. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Feiten
1.1
Verzoeker is ambtenaar in dienst bij het KPA in de rang van onderinspecteur. Hij was tot medio 2020 bij het KPA werkzaam als chef Honden-unit.
1.2
Verzoeker is per 14 augustus 2020 feitelijk belast met de waarneming van de functie van ambtenaar belast met de leiding van het Bureau GNC. In verband daarmee is verzoeker bij ministeriële beschikking van 20 augustus 2020 gemandateerd om namens verweerder de bevoegdheden bedoeld in artikel 15 en 16 van de Landsverordening Toelating en Uitzetting uit te oefenen.
1.3
Op 17 september 2020 heeft het Departamento Recurso Humano (DRH) verzoeker aangemeld voor een veiligheidsonderzoek bij de Veiligheidsdienst Aruba (Veiligheidsdienst) in verband met de door hem geambieerde functie van Hoofd van Dienst van het Bureau GNC.
1.4
De ministerraad heeft in de vergadering van 30 april 2021 ingestemd met de vastlegging van de aanwijzing van verzoeker als ambtenaar belast met de leiding/in de functie van waarnemend hoofd van het Bureau GNC per 14 augustus 2020 en van de toekenning aan hem van de toepasselijke tegemoetkomingen. Tevens heeft de ministerraad ermee ingestemd om verzoeker per 1 mei 2021 te ontheffen uit zijn functie bij het KPA, met behoud van rechtspositie, en hem te plaatsen bij het Bureau GNC (ministerraadbeslissing).
1.5
Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft de minister van Algemene Zaken geweigerd om aan verzoeker een verklaring van geen bezwaar (vgb) als bedoeld in artikel 1 van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken (Lavv) af te geven. Daartegen heeft verzoeker op 22 augustus 2022 een bezwaarschrift ingediend op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak. De op dit bezwaar genomen beslissing van de minister van Algemene Zaken van 17 oktober 2022, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar, is door het Gerecht in eerste aanleg bij uitspraak van 17 mei 2023, Lar nr. AUA202204027, vernietigd.
1.6
Bij beschikking van 6 september 2022 heeft verweerder besloten om de feitelijke waarneming door verzoeker van de functie van ambtenaar belast met de leiding van het Bureau GNC met ingang van 8 september 2022 stop te zetten en hem bericht dat hij na afloop van zijn vakantiedagen zijn werkzaamheden bij het KPA moet hervatten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat aan verzoeker een vgb is geweigerd en hij daarom niet belast kan blijven met de feitelijke waarneming van de vertrouwensfunctie van ambtenaar belast met de leiding van het Bureau GNC.
1.7
Hiertegen heeft verzoeker op 19 september 2022 bezwaar gemaakt.
1.8
Bij uitspraak van dit gerecht van 17 mei 2023, Gaza nr. AUA202203247, is het bezwaar gegrond verklaard, en is de beschikking van 6 september 2022 vernietigd.
1.9
Bij de thans bestreden brief heeft verweerder aan verzoeker onder meer bericht dat hij – kort gezegd – niet meer als waarnemend hoofd van het Bureau GNC zal terugkeren, en dat verzoeker zijn functie bij het KPA dient te hervatten.
Het verzoek
2. Het verzoek strekt tot schorsing van de bestreden beschikking totdat op het bezwaar is beslist en – zoals te zitting door verzoekster desgevraagd aangevuld – te bepalen dat verweerder verzoekster toelaat zijn werkzaamheden als waarnemend hoofd van het Bureau GNC te hervatten.
Het verweer
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking geen beschikking is in de zin van artikel 35 van de La, daar de brief een opsomming is feiten en omstandigheden die maken dat het een brief van informatieve aard is. Verweerder stelt zich voorts – kort samengevat – op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang ter voorkoming van nadeel voor verzoeker, en dat gesteld noch gebleken is dat verzoeker de beslissing in de bodemprocedure niet kan afwachten.
Beoordeling
4.1
Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, vervalt de uitspraak op een zodanig verzoekschrift indien niet binnen acht dagen nadien een bezwaarschrift, betreffende de hoofdzaak, bij het gerecht is ingediend.
4.2
Het gerecht stelt allereerst vast dat in de bestreden brief onder meer wordt verwezen naar de uitspraak van dit gerecht van 17 mei 2023 waarbij de eerdere beschikking van verweerder van 6 september 2022 is vernietigd. Gelet hierop, en gezien de strekking van de bestreden brief moet de conclusie worden getrokken dat vereerder daarmee heeft bedoeld opnieuw te voorzien in de situatie die is ontstaan door voormelde vernietiging van de beschikking van 6 september 2022, door een beschikking te nemen met eenzelfde strekking als evengenoemde beschikking. De brief is daarmee een voor bezwaar vatbare beschikking en niet slechts een mededeling van informatieve aard zoals verweerder heeft betoogd.
5.1
Voor het treffen van een voorziening bij voorraad zal slechts aanleiding bestaan, indien verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de beslissing in de bodemzaak afwacht. Het gerecht is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans zodanig onevenredig nadeel ondervindt dat hij de bodemprocedure niet kan afwachten. De nadelige gevolgen die verzoeker stelt te ondervinden, te weten (groeiende) schade voor wat betreft zijn reputatie, carrière, en rechtspositie alsmede financiële nadeel, kunnen in beginsel naar hun aard met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt worden. Voorts is gesteld noch gebleken dat verzoeker in een financiële noodsituatie zou verkeren die voor hem gevolgen heeft die niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, indien de bestreden beschikking in de bodemprocedure niet in stand blijft. Dat verzoeker op dit moment geen waarnemingstoelage ontvangt, is hiertoe op zichzelf niet voldoende. Onder deze omstandigheden heeft verzoeker geen voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening bij voorraad, zodat zich geen situatie voordoet waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor verzoeker, een onverwijlde voorziening wenselijk is.
5.2
Daarbij komt dat verweerder ter zitting onbetwist heeft gesteld dat in de functie van waarnemend hoofd van Bureau GNC inmiddels is voorzien door benoeming als zodanig van een andere persoon. Nu de benoeming van deze persoon geen onderdeel vormt van het onderhavige geding, is reeds daarom geen ruimte om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker zijn werkzaamheden als waarnemend hoofd van het Bureau GNC kan hervatten.
6. Gelet op het vorenstaande zal het verzoek worden afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling is er geen wettelijke grondslag.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter, en uitgesproken in raadkamer op maandag, 9 oktober 2023, in tegenwoordigheid van de griffier.
Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.
Zoals aangevuld bij ministeriële beschikking van 3 februari 2021.