Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2019-02-22
ECLI:NL:OGAACMB:2019:16
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Bodemzaak
1,580 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[klaagster],
wonende in Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam, advocaat,
tegen
de minister van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. S.X.T. Hato, advocaat.
Procesverloop
1.1
Bij landsbesluit van 23 december 2015, door klaagster ontvangen op 8 januari 2016, is zij per 1 december 2013 benoemd in de functie van Senior Tactisch Rechercheur (het plaatsingsbesluit).
1.2
Klaagster heeft daartegen op 18 februari 2016 op grond van artikel 120, eerste lid, van Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (het Rechtspositiebesluit) bezwaar gemaakt bij verweerder (het bezwaar).
1.3
Bij besluit van 3 mei 2016, door klaagster ontvangen op 6 mei 2016, heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).
1.4
Daartegen en tegen het plaatsingsbesluit heeft klaagster op 5 juni 2016 bezwaar gemaakt bij dit Gerecht.
1.5
De zaak is behandeld ter zitting van het Gerecht op 18 februari 2019. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2.1
Het Gerecht is van oordeel dat een plaatsingsbesluit, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, primair ziet op een benoeming in een andere functie. Daartegen staat derhalve geen bezwaar open bij verweerder op grond van artikel 120, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit (vgl. de uitspraak van de Raad van 29 juni 2012, ECLI:NL:ORBANAA:2012:BX4890). Daarbij merkt het Gerecht op dat klaagster in het bezwaar van 18 februari 2016 om een nieuw landsbesluit verzoekt, waarbij zij wordt benoemd in de functie van Teamleider Veel Voorkomende Criminaliteit met bijbehorende bezoldigingsschaal. Ook hieruit blijkt dat klaagster primair opkomt tegen de functie waarin zij is benoemd. Verweerder was dan ook niet bevoegd om dat bezwaar in behandeling te nemen.
2.2
Het bezwaar van 5 juni 2016, voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 3 mei 2016, is gegrond. Het besluit van 3 mei 2016 zal daarom worden vernietigd.
2.3
Hoewel de RAr niet voorziet in een verplichting daartoe, mag van verweerder worden verwacht dat hij een bezwaarschift doorzendt naar de bevoegde instantie, in dit geval het Gerecht. Het niet doorzenden van een bezwaarschrift levert strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat klaagster gebruik heeft gemaakt van professionele rechtsbijstand maakt dit niet anders (vgl. uitspraak van de Raad van 29 juni 2012, ECLI:NL:ORBANAA:2012:BX4891). Daarbij overweegt het Gerecht dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Gerecht zal derhalve het bezwaar van 18 februari 2016 beoordelen.
2.4
Op grond van artikel 5, tweede lid, van de RAr, wordt, voor zover hier relevant, een termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag als de laatste dag van een termijn op een zondag valt.
Op grond van artikel 41, eerste lid, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Op grond van het derde lid wordt hij die bezwaar inbrengt na de hiervoor bepaalde termijn, niet op grond daarvan niet-ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont, het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag, waarop hij van de aangevallen beschikking, handeling of weigering redelijkerwijs heeft kunnen kennis dragen.
2.5
Doordat klaagster het plaatsingsbesluit op 8 januari 2016 heeft ontvangen, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bij het Gerecht op 9 januari 2016 aangevangen. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de RAr, is de termijn verstreken op maandag 8 februari 2016. Het bezwaar is op 18 februari 2016 en dus na het verstrijken van de bezwaartermijn ingediend. Klaagster heeft niet ten genoegen van het Gerecht aangetoond dat zij het bezwaar binnen dertig dagen na de dag, waarop zij van het plaatsingsbesluit kennis heeft kunnen dragen, heeft ingebracht. Dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is dan ook niet gebleken. Daarom zal het Gerecht dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
2.6
Voor zover het bezwaar van 5 juni 2016 gericht is tegen het plaatsingsbesluit zal het Gerecht dat in verband met de hierboven genoemde termijnoverschrijding eveneens niet-ontvankelijk verklaren.
2.7
Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar van 5 juni 2016, voor zover deze gericht is tegen het bestreden besluit van 3 mei 2016, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 3 mei 2016;
verklaart het bezwaar van 18 februari 2016 niet-ontvankelijk;
verklaart het bezwaar van 5 juni 2016, voor zover deze gericht is tegen het plaatsingsbesluit van 23 december 2015, niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.