Rechtspraak Hoge Raad 2026-06-19
ECLI:NL:HR:2026:956
Arubaanse dividendbelasting in strijd met non-discriminatiebepaling van artikel XI, lid 1 dan wel 2, van het Vriendschapsverdrag met de VS (1956)? Verdragsinterpretatie; rechtstreekse werking. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04888 Datum 19 juni 2026 ARREST in de zaak van [X] N.V. (hierna: belanghebbende) tegen de MINISTER VAN FINANCIËN VAN ARUBA op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 14 november 2023, nr. AUA2021H00143 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (nr. AUA202001587) betreffende een op aangifte afgedragen bedrag aan dividendbelasting. 1 Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.P. Ruiter, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Dit geschrift is door de Hoge Raad per abuis tevens aangemerkt als een voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 1.2 Op 12 juli 2024 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende, een naamloze vennootschap, is opgericht naar Arubaans recht en gevestigd in Aruba. Zij exploiteert onder meer een schoonheidssalon, saunagelegenheid en massagefaciliteit en handelt in massagebenodigdheden. 2.2 Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door een naar Amerikaans recht opgerichte en in de Verenigde Staten gevestigde vennootschap (hierna: de LLC). 2.3 Op 31 augustus 2017 heeft belanghebbende een dividend uitgekeerd aan de LLC. Belanghebbende heeft ter zake van de dividenduitkering naar het in artikel 6, lid 1, van de Landsverordening dividendbelasting (hierna: de Landsverordening) voorgeschreven tarief van 10 procent Arubaanse dividendbelasting ingehouden en afgedragen. 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de hiervoor in 2.3 bedoelde dividendbelasting. Daartoe heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat artikel XI, lid 1 dan wel lid 2, van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van 27 maart 1956 (hierna: het Verdrag) aan heffing van Arubaanse dividendbelasting over het door belanghebbende uitgekeerde dividend in de weg staat, dan wel voor die uitkering het in artikel 6, lid 2, letter b, van de Landsverordening bedoelde nultarief geldt. 3.2 Artikel XI van het Verdrag luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij, en onderdanen en vennootschappen van de ene Partij, die zich binnen het grondgebied van de andere Partij bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven, of werkzaam zijn op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid, zullen niet worden onderworpen aan drukkender belastingen, renten en heffingen geheven van of gelegd op inkomsten, vermogen, transacties, werkzaamheden of enig ander object, of aan drukkender vereisten ten aanzien van de heffing en inning daarvan, dan waaraan onderdanen en vennootschappen van die andere Partij worden onderworpen. 2. Met betrekking tot onderdanen van de ene Partij, die noch woonachtig zijn, noch zich bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, en met betrekking tot vennootschappen van de ene Partij, welke zich niet bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, zal die andere Partij er naar streven, in het algemeen het beginsel omschreven in het eerste lid van dit artikel toe te passen.” 3.3 Het Hof heeft de hiervoor in 3.1 bedoelde vraag op de volgende gronden ontkennend beantwoord. 3.3.1 Het Hof is bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel XI, lid 1, van het Verdrag, met name de voorwaarde dat sprake is van een op winst gericht streven van de inwoner van de ene partij binnen het grondgebied van de andere partij, te rade gegaan bij artikel VII, lid 1, van het Verdrag waarin “alle op winst gerichte activiteit” wordt aangeduid als “zakelijke activiteit”. Het Hof heeft daarbij gewezen op de volgende delen van die bepaling: “Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij alle op winst gerichte activiteit (...) (zakelijke activiteit), hetzij dat deze rechtstreeks wordt uitgeoefend,(...), hetzij door middel van elke andere wettelijk toegelaten rechtsvorm. Bijgevolg zal het aan die (...) vennootschappen binnen dat grondgebied zijn geoorloofd: (a) (...) vestigingen, welke geschikt zijn voor de uitoefening van hun bedrijf, op te richten en in stand te houden; (b) (...) vennootschappen op te richten overeenkomstig de algemene wettelijke bepalingen van die andere Partij op het stuk van vennootschappen, en het overwegend belang te verwerven in vennootschappen van die andere Partij en (c) ondernemingen, welke zij hebben gevestigd of verworven, te beheersen en te besturen.” Volgens het Hof vallen de (middellijke) zakelijke activiteiten van de LLC binnen het grondgebied van Aruba onder de zakelijke activiteiten zoals bedoeld in artikel XI, lid 1, van het Verdrag, waarbij het Hof mede in aanmerking heeft genomen dat het aannemelijk acht dat de LLC actief het marktbeleid van belanghebbende bepaalt. 3.3.2 Naar het oordeel van het Hof slaagt het beroep van belanghebbende op artikel XI, lid 1, van het Verdrag echter niet. Volgens het Hof dient de in de situatie van belanghebbende en de LLC toe te passen nationale behandeling te zijn de fiscale behandeling die een dividenduitkering door belanghebbende ten deel zou vallen in Aruba, indien haar moedermaatschappij aan wie het dividend wordt uitgekeerd, een naar Arubaans recht opgerichte, feitelijk in de Verenigde Staten gevestigde en, – naar de Hoge Raad begrijpt – na (statutaire) zetelverplaatsing overeenkomstig de Landsverordening zetelverplaatsing rechtspersonen , door Amerikaans recht beheerste vennootschap zou zijn geweest. In dat geval zou de moedermaatschappij vanwege haar feitelijke én statutaire vestigingsplaats in de Verenigde Staten niet de deelnemingsvrijstelling deelachtig worden, zodat in die situatie ook niet met succes een beroep op het nultarief voor de dividendbelasting kan worden gedaan. Van een verboden verschil in fiscale behandeling op grond van nationaliteit is daarom geen sprake, aldus het Hof. 3.3.3 Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat het bepaalde in artikel XI, lid 2, van het Verdrag zich niet leent voor rechtstreekse werking. 4 Beoordeling van de middelen 4.1 Middel I is gericht tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de LLC moet worden vergeleken met een in Aruba gevestigde en door Arubaans recht beheerste moedermaatschappij. Als moet worden vergeleken met een in de Verenigde Staten gevestigde moedermaatschappij, dan moet volgens het middel in die vergelijking een moedermaatschappij beheerst door Arubaans recht worden betrokken. 4.2 Dit middel gaat, evenals het Hof in zijn bestreden oordeel, ervan uit dat de LLC zich binnen het grondgebied van Aruba bezighoudt met handel of een ander op winst gericht streven als bedoeld in artikel XI, lid 1, van het Verdrag. 4.3.1 Dat uitgangspunt wordt evenwel in het verweerschrift terecht bestreden. 4.3.2 Artikel XI, lid 1, van het Verdrag vereist dat de vennootschap van de ene partij zich binnen het grondgebied van de andere partij bezighoudt met handel of een ander op winst gericht streven.