Rechtspraak Hoge Raad 2026-07-03
ECLI:NL:HR:2026:949
Art. 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages en onderbouwing daarvan, ECLI:NL:HR:2026:297 HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03073 Datum 3 juli 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1855 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 556.000. Het bij die beschikking behorende taxatieverslag vermeldt van de gehanteerde vergelijkingsobjecten onder meer de verkoopprijs en de datum van de transportakte (hierna: de transactiedata). 2.2 Belanghebbende heeft in bezwaar met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken, waaronder (de onderbouwing van) de indexering naar waardepeildatum. De heffingsambtenaar heeft vervolgens per e-mail het door hem gebruikte, voor het objecttype en waardegebied van de woning gemiddelde indexeringspercentage verstrekt. 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden door niet de onderbouwende (markt)gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de gehanteerde indexeringspercentages zijn bepaald. 3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet onder de reikwijdte van die bepaling vallen, zodat de heffingsambtenaar niet verplicht is om deze gegevens aan belanghebbende te verstrekken. Van een schending van de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is volgens het Hof daarom geen sprake. 4 Beoordeling van het middel 4.1 Het middel is gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. 4.2.1 Het middel is terecht voorgesteld voor zover het klaagt over het onjuiste oordeel van het Hof dat indexeringspercentages in zijn algemeenheid niet vallen onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden omdat de heffingsambtenaar de gevraagde indexeringspercentages in de bezwaarfase heeft verstrekt (zie hiervoor in 2.2). 4.2.2 Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de onderbouwing van de indexeringspercentages niet valt onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, faalt het op de gronden vermeld in rechtsoverweging 5.16.10 van het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297. 4.3 Voor zover het middel opkomt tegen de hiervoor in 2.1 vermelde gebruikmaking van transactiedata faalt het. Deze klacht kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht, aangezien dit een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is. 5 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:4329. ECLI:NL:PHR:2025:1123, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1074. Vgl. HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.16.10.