Rechtspraak
Hoge Raad
2026-05-01
ECLI:NL:HR:2026:742
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,189 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:742 text/xml public 2026-05-02T00:01:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-01 24/03547 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2584 Rechtspraak.nl NLF 2026/0883 Viditax (FutD) 2026050114 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:742 text/html public 2026-05-01T11:34:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:742 Hoge Raad , 01-05-2026 / 24/03547 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03547 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2024, nr. 22/2324 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2360) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Na afloop van de cassatietermijn heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Op de inhoud daarvan slaat de Hoge Raad geen acht. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2584.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:742 text/xml public 2026-05-02T00:01:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-01 24/03547 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2584 Rechtspraak.nl NLF 2026/0883 Viditax (FutD) 2026050114 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:742 text/html public 2026-05-01T11:34:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:742 Hoge Raad , 01-05-2026 / 24/03547 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03547 Datum 1 mei 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2024, nr. 22/2324 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2360) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Na afloop van de cassatietermijn heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Op de inhoud daarvan slaat de Hoge Raad geen acht. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2584.