Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-21
ECLI:NL:HR:2026:712
Strafrecht
Cassatie
2,365 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:712 text/xml public 2026-05-12T10:58:40 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-21 25/01706 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2025:1765 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:162 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0144 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:712 text/html public 2026-04-21T16:38:59 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:712 Hoge Raad , 21-04-2026 / 25/01706 Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen van 2 auto’s. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Kan klacht dat grondslag voor ontnemingsmaatregel zou komen te vervallen indien middel in strafzaak doel zou treffen, in ontnemingszaak worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van bestreden uitspraak in ontnemingszaak voor het geval dat middel in hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. HR merkt nog op dat o.g.v. art. 6:1:16.2 Sv uitspraak op vordering OM tot oplegging van verplichting een geldbedrag aan staat te betalen ter ontneming van w.v.v. pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk is geworden. Verder vervalt o.g.v. art. 511i Sv uitspraak op vordering OM a.b.i. art. 36e Sr van rechtswege doordat en v.zv. uitspraak als gevolg waarvan veroordeling van verdachte a.b.i. art. 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR:1998:ZD1016). Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Vervolg op HR:2024:1412. Samenhang met 25/01655. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/01706 P Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2025, nummer 20-002861-24, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten J.H.L. Antonides en M. Draaijers bij schriftuur een (voorwaardelijk) cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep. 2 Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. De schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat het tweede cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e Sr van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016). 2.2 Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 in samenhang met artikel 511h Sv. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:712 text/xml public 2026-05-12T10:58:40 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-21 25/01706 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2025:1765 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:162 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0144 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:712 text/html public 2026-04-21T16:38:59 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:712 Hoge Raad , 21-04-2026 / 25/01706 Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen van 2 auto’s. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Kan klacht dat grondslag voor ontnemingsmaatregel zou komen te vervallen indien middel in strafzaak doel zou treffen, in ontnemingszaak worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van bestreden uitspraak in ontnemingszaak voor het geval dat middel in hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. HR merkt nog op dat o.g.v. art. 6:1:16.2 Sv uitspraak op vordering OM tot oplegging van verplichting een geldbedrag aan staat te betalen ter ontneming van w.v.v. pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk is geworden. Verder vervalt o.g.v. art. 511i Sv uitspraak op vordering OM a.b.i. art. 36e Sr van rechtswege doordat en v.zv. uitspraak als gevolg waarvan veroordeling van verdachte a.b.i. art. 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR:1998:ZD1016). Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Vervolg op HR:2024:1412. Samenhang met 25/01655. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/01706 P Datum 21 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2025, nummer 20-002861-24, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten J.H.L. Antonides en M. Draaijers bij schriftuur een (voorwaardelijk) cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep. 2 Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. De schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat het tweede cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e Sr van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016). 2.2 Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 in samenhang met artikel 511h Sv. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026 .