Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-17
ECLI:NL:HR:2026:674
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
1,481 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:674 text/xml public 2026-04-18T00:01:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-17 24/04264 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:624 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:652 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1988 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041701 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:674 text/html public 2026-04-16T16:26:18 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:674 Hoge Raad , 17-04-2026 / 24/04264 Artikelen 2:1, lid 3, 6:6 en 8:24, lid 2, Awb; Titel 3 Boek 3 BW; artikel 3:79 BW; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:556. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04264 Datum 17 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nr. BK-24/37 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/5674) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 30 mei 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2 Beoordeling van de middelen 2.1 Middel 1 faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04262, ECLI:NL:HR:2026:556. 2.2 De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in het tweede middel beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2024:1988. ECLI:NL:PHR:2025:624, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:652.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:674 text/xml public 2026-04-18T00:01:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-17 24/04264 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:624 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:652 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1988 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041701 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:674 text/html public 2026-04-16T16:26:18 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:674 Hoge Raad , 17-04-2026 / 24/04264 Artikelen 2:1, lid 3, 6:6 en 8:24, lid 2, Awb; Titel 3 Boek 3 BW; artikel 3:79 BW; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:556. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04264 Datum 17 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nr. BK-24/37 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/5674) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 30 mei 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2 Beoordeling van de middelen 2.1 Middel 1 faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04262, ECLI:NL:HR:2026:556. 2.2 De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in het tweede middel beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2024:1988. ECLI:NL:PHR:2025:624, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:652.