Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:632
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,555 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:632 text/xml public 2026-04-14T09:41:50 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02523 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1103 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:54 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:632 text/html public 2026-04-10T16:58:27 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:632 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02523 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet). 1. Toewijzing van vordering van A-G tot aanvulling van processtukken o.g.v. eisen die voortvloeien uit beginselen van behoorlijke procesorde en afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek van verdediging o.g.v. noodzaakcriterium. 2. Bewijsklachten opzet en medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02511, 24/02527 en 24/02659. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02523 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001220-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze één jaar en elf maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:632 text/xml public 2026-04-14T09:41:50 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02523 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1103 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:54 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:632 text/html public 2026-04-10T16:58:27 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:632 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02523 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet). 1. Toewijzing van vordering van A-G tot aanvulling van processtukken o.g.v. eisen die voortvloeien uit beginselen van behoorlijke procesorde en afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek van verdediging o.g.v. noodzaakcriterium. 2. Bewijsklachten opzet en medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02511, 24/02527 en 24/02659. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02523 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001220-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze één jaar en elf maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .