Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:621
Strafrecht
Cassatie
1,689 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:621 text/xml public 2026-04-14T12:45:27 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/04455 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:4199 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:241 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:621 text/html public 2026-04-14T09:59:03 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:621 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/04455 Poging tot doodslag door met auto op iemand in te rijden, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over betrouwbaarheid van afgelegde (getuigen)verklaringen en geschetst alternatief scenario, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft voldoende gerespondeerd op standpunt over betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. ‘s Hofs op verklaring van aangever, getuigenverklaringen en camerabeelden gebaseerde oordeel dat verdachte doelbewust met aanmerkelijke snelheid in richting van aangever is gereden en is blijven rijden en hem heeft geraakt, vindt voldoende steun in bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk. In nadere bewijsoverwegingen ligt besloten dat hof alternatief scenario dat door verdediging naar voren is gebracht (dat aanrijding is ontstaan doordat aangever richting auto sloeg/trapte en verdachte deze beweging niet meer kon ontwijken), niet aannemelijk acht. Alternatief scenario vindt ook geen verdere steun in dossier. Door verdediging ingenomen standpunt m.b.t. alternatief scenario vindt voldoende weerlegging in b.m. en bewijsoverweging. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/04455 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2024, nummer 20-002314-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.M.C.F. de Groen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 primair bewezenverklaarde. 2.2 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:621 text/xml public 2026-04-14T12:45:27 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/04455 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:4199 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:241 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:621 text/html public 2026-04-14T09:59:03 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:621 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/04455 Poging tot doodslag door met auto op iemand in te rijden, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over betrouwbaarheid van afgelegde (getuigen)verklaringen en geschetst alternatief scenario, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft voldoende gerespondeerd op standpunt over betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. ‘s Hofs op verklaring van aangever, getuigenverklaringen en camerabeelden gebaseerde oordeel dat verdachte doelbewust met aanmerkelijke snelheid in richting van aangever is gereden en is blijven rijden en hem heeft geraakt, vindt voldoende steun in bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk. In nadere bewijsoverwegingen ligt besloten dat hof alternatief scenario dat door verdediging naar voren is gebracht (dat aanrijding is ontstaan doordat aangever richting auto sloeg/trapte en verdachte deze beweging niet meer kon ontwijken), niet aannemelijk acht. Alternatief scenario vindt ook geen verdere steun in dossier. Door verdediging ingenomen standpunt m.b.t. alternatief scenario vindt voldoende weerlegging in b.m. en bewijsoverweging. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/04455 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2024, nummer 20-002314-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.M.C.F. de Groen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 primair bewezenverklaarde. 2.2 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .