Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:617
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,723 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:617 text/xml public 2026-04-14T12:45:20 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02511 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:53 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1106 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:617 text/html public 2026-04-10T16:55:09 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:617 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02511 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen invoer van cocaïne. Heeft hof niet bestaand PGP-bericht aan bewezenverklaring ten grondslag gelegd? 2. Bewijsklachten gewoontewitwassen. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de in tll. opgenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02523, 24/02527 en 24/02659. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02511 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001155-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J. Bussink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:617 text/xml public 2026-04-14T12:45:20 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/02511 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:53 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1106 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:617 text/html public 2026-04-10T16:55:09 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:617 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02511 Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen invoer van cocaïne. Heeft hof niet bestaand PGP-bericht aan bewezenverklaring ten grondslag gelegd? 2. Bewijsklachten gewoontewitwassen. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de in tll. opgenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02523, 24/02527 en 24/02659. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02511 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001155-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J. Bussink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .