Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-10
ECLI:NL:HR:2026:608
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,060 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:608 text/xml public 2026-04-11T00:01:50 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/03095 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:4605 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:608 text/html public 2026-04-10T11:02:30 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:608 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/03095 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03095 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2024, nrs. BK-ARN 22/2178 en 22/2179 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/6793 en 20/6794) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:4605.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:608 text/xml public 2026-04-11T00:01:50 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/03095 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:4605 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:608 text/html public 2026-04-10T11:02:30 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:608 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/03095 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03095 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2024, nrs. BK-ARN 22/2178 en 22/2179 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/6793 en 20/6794) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:4605.