Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-10
ECLI:NL:HR:2026:606
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,113 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:606 text/xml public 2026-04-10T11:06:00 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 25/00661 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:54 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:606 text/html public 2026-04-10T10:50:29 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:606 Hoge Raad , 10-04-2026 / 25/00661 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00661 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE LEIDEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2025, nr. BK-24/238 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/93) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2025:54.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:606 text/xml public 2026-04-10T11:06:00 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 25/00661 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:54 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:606 text/html public 2026-04-10T10:50:29 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:606 Hoge Raad , 10-04-2026 / 25/00661 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00661 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE LEIDEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2025, nr. BK-24/238 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/93) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHDHA:2025:54.