Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-10
ECLI:NL:HR:2026:604
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,227 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:604 text/xml public 2026-04-10T16:35:38 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/04282 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:3245 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041012 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:604 text/html public 2026-04-10T10:40:59 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:604 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/04282 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04282 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2024, nrs. 23/399 tot en met 23/406 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 21/4059 tot en met BRE 21/4066) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente voor de jaren 2010 tot en met 2012 en belastingrente voor de jaren 2014 tot en met 2017. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door C.M.J.E.P. Meerts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:3245.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:604 text/xml public 2026-04-10T16:35:38 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/04282 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:3245 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041012 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:604 text/html public 2026-04-10T10:40:59 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:604 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/04282 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04282 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2024, nrs. 23/399 tot en met 23/406 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 21/4059 tot en met BRE 21/4066) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente voor de jaren 2010 tot en met 2012 en belastingrente voor de jaren 2014 tot en met 2017. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door C.M.J.E.P. Meerts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:3245.