Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-10
ECLI:NL:HR:2026:602
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:602 text/xml public 2026-04-10T11:05:59 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/02561 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:1645 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:602 text/html public 2026-04-10T10:30:58 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:602 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/02561 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02561 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2024, nr. 23/816 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 22/5302) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J.M. Möhlmann-Bronkhorst, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:1645.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:602 text/xml public 2026-04-10T11:05:59 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 24/02561 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:1645 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:602 text/html public 2026-04-10T10:30:58 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:602 Hoge Raad , 10-04-2026 / 24/02561 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02561 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2024, nr. 23/816 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 22/5302) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J.M. Möhlmann-Bronkhorst, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:1645.