Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-14
ECLI:NL:HR:2026:600
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,541 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:600 text/xml public 2026-04-14T12:55:18 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/00002 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:141 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:600 text/html public 2026-04-10T10:24:47 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:600 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/00002 Voortgezette handeling van zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr) door met scherp en puntig voorwerp in oog van ander te steken en die ander meermalen met dat voorwerp in zijn rug en nek te snijden. 1. Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. Kon hof het beroep op noodweer(exces) verwerpen, nu handelingen van verdachte tijdens tweede confrontatie als verdedigend zijn aan te merken? 2. Ontbrekende pleitnota in hoger beroep? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00002 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2023, nummer 23-002548-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Rafik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis; - vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 209 uren beloopt, subsidiair 104 dagen hechtenis; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:600 text/xml public 2026-04-14T12:55:18 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-14 24/00002 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:141 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:600 text/html public 2026-04-10T10:24:47 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:600 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/00002 Voortgezette handeling van zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr) door met scherp en puntig voorwerp in oog van ander te steken en die ander meermalen met dat voorwerp in zijn rug en nek te snijden. 1. Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. Kon hof het beroep op noodweer(exces) verwerpen, nu handelingen van verdachte tijdens tweede confrontatie als verdedigend zijn aan te merken? 2. Ontbrekende pleitnota in hoger beroep? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00002 Datum 14 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2023, nummer 23-002548-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Rafik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis; - vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 209 uren beloopt, subsidiair 104 dagen hechtenis; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026 .